Banner trap

Nieuwsarchief

Uncategorized

De kunst van het schrijven

Foto: Bianca Sistermans


Schrijven is een vak. Je kunt het leren. Een rubriek met tips voor ambitieuze amateurschrijvers. Deze keer van Mensje van Keulen.

Ooit schreef ik het verhaal De kunst van het kijken. Ik vertel daarin hoe de directeur van mijn middelbare school me, nadat ik had gespijbeld, bij zich liet komen. Kalm zei hij: ‘Kijk naar dit bureau. Kijk naar mijn pen op dit bureau.’ Hij pufte even aan zijn pijp. ‘Kijk naar het raam achter me. Kijk naar de kastanjeboom daarachter.’ Puf puf. ‘Kijk naar die boom en neem de schoonheid ervan in je op. Ervaar de kunst van het kijken. Het maakt het leven zoveel rijker. Kijk naar de dingen. Puf puf. Kijk naar mij. Kijk naar mijn oren, mijn neus, mijn pijp. Kijk niet zolang als nodig is, maar kijk langer, kijk beter, en je ziet steeds meer.’
Ik beschreef dat ik, terwijl ik naar hem keek, me voorstelde hoe het zou zijn als die brave man bij zijn vrouw in bed lag, hoe hij gestoord werd door het gedrein van een van zijn elf kinderen en hoe, toen hij weer rustig in bed lag, op de stoep voor zijn huis een man opdook met een tas waarin een ruitentikker en een breekijzer zaten. De man kon ook nog een mes bij zich hebben en een touw om de directeur vast te binden, rug aan rug met zijn vrouw. En dan waren de kindertjes aan de beurt, een voor een.
In werkelijkheid herinnerde ik me dat de directeur me bij zich liet komen en opmerkte dat ik goed moest opletten, maar hoe hij dat precies heeft verwoord wist ik niet meer.
Lang niet altijd is het de flard van een herinnering die de verbeelding zijn gang laat gaan, het kan een voorwerp zijn, een paar woorden die ik opvang, of het komt, en dat is meestal het geval, zomaar uit het niets. Zo doemde de vrouw in het titelverhaal van de bundel Ik moet u echt iets zeggen op en ze bleef dat doen met haar schrijnende geschiedenis, steeds sterker. Ook de vrouw die vier mannen in een zomerhuisje ontvangt kreeg me op die manier te pakken, en de vrouw die haar ring verliest en het haar man niet durft te vertellen, en de weduwnaar die een ongewone dag beleeft, enz.
Ik zie de personages in hun verhaal, nu eens vaag, dan weer helder, voor me. Ze verrassen me, laten me schrikken, vrolijken me op, houden me uit mijn slaap (wat prettig kan zijn). Het is het geestesoog dat kijkt, maar de verbeelding heeft legio kronkelwegen in petto. Aan mij de keuze als ik de pen oppak.

Mensje van Keulen, maart 2021

Mensje van Keulen debuteerde in 1972 met Bleekers zomer en kreeg in 2014 de Constantijn Huygensprijs. Begin dit jaar ontving ze de J.M.A. Biesheuvelprijs voor Ik moet u echt iets zeggen. Volgens de jury imponeerde de bundel ‘met haar ongekend natuurlijk klinkende dialogen, geraffineerde plots die telkens naar een even verrassende als bevredigende ontknoping toewerken en psychologische schetsen die in een paar nonchalante zinnen een compleet universum suggereren.’

Het gedicht

Foto: Nike Martens


Oud-stadsdichter Merel Hubatka kiest een favoriet gedicht.

In haar onlangs verschenen bundel Hoe verschillig behandelt Marjoleine de Vos grote thema’s op tedere wijze. Haar gedichten zijn poëtische pogingen om in het moment te leven, iets wat maar ten dele lukt vanwege een hoofd dat niet zomaar tot stilstand komt.
Afscheid en gemis worden dragelijk in het licht van de lentezon, in de stilte van een zondagochtend of door de troostende trilling van een snaar. Ze brengt grote gebeurtenissen terug tot herkenbare momenten, momenten die je doen voelen dat je leeft en dat je kan liefhebben – gelukkig kunnen we dat.

Wat moet er van haar worden?

Rustig zitten rouwen in je lichte huis
mooie kleren aangedaan oh zondagmorgen.
De feniks vliegt ons naar de zon waar ooit –
ach wat begon wat vond een eind?
Vogel te groot om te bestaan, draagt eeuwig
lieve doden aan, broedt steeds weer
op het lege ei van de onsterfelijkheid.

Miles Davis swingt een beetje blue de ochtend in.
Van alles wat wij levenden doen, is dit,
een noot of wat, de trilling van een snaar,
de zin.

De kinderboekenrecensent

Foto: Marc Brouwer


Bas Maliepaard, als scholier een vaste bezoeker van onze winkel, schrijft al zestien jaar kinderboekrecensies voor Trouw. Zijn besprekingen zijn elke zaterdag te vinden in de bijlage Tijdgeest en bestrijken de hele jeugdliteratuur, van prentenboek tot adolescentenroman. In 2018 lanceerde Bas samen met collega Jaap Friso De Grote Vriendelijke Podcast, de eerste Nederlandse podcast voor volwassenen over jeugdliteratuur. Vanwaar die fascinatie voor kinderboeken en wat is het geheim van een geslaagde recensie?

‘Waar mijn fascinatie voor jeugdliteratuur vandaan komt weet ik niet. Het maakt al zolang ik me kan herinneren deel uit van mijn leven. Als tiener zat ik in Zutphen op Vrije school De IJssel en in afwachting van het boemeltje terug naar Apeldoorn bivakkeerde ik vaak in de kinderhoek achter de trap bij Van Someren & Ten Bosch. Rond mijn zestiende begon ik fanatiek gedichten en verhalen naar de Lemniscaatkrant te sturen. Uiteindelijk vroeg schrijfster Joukje Akveld, destijds hoofdredacteur van de krant, of ik redactielid wilde worden; zat ik ineens in de trein richting Maastricht om Jacques Vriens over zijn Achtste-groepers huilen niet te interviewen.

Aantrekkelijk aan kinderboeken vind ik ‘de onbevangenheid van de eerste keer,’ of het nu gaat om de eerste ontmoeting met een lieveheersbeestje in een peuterboekje of het plotse besef dat ouders ook maar mensen zijn in adolescentenliteratuur. Schrijven voor kinderen dwingt je om tot de essentie te komen; ik houd van die pure, uitgeklede vorm. Tegelijkertijd is het kinderboek met het brede palet aan personages (mensen, dieren, dingen, dappere ridsters…) ontzettend veelzijdig. Nog altijd ben ik onder de indruk van wat er verschijnt en dat enthousiasme wil ik graag overbrengen. Ik krijg soms de vraag wanneer ik nu eens ‘echte’ literatuur ga bespreken, maar jeugdliteratuur is een volwaardige kunstvorm en ik vind het belangrijk om daar in mijn recensies recht aan te doen. De opdracht van Trouw is het geven van literaire kritiek. Dat geeft mij de kans om de ontwikkeling van schrijvers en illustratoren te volgen en boeken uit het aanbod te lichten die misschien niet in stapels in de winkel zullen liggen, maar wel interessant zijn.

Ik schaam me bijna om het te zeggen, maar ik schrijf meestal heel langzaam. Het is vaak een worsteling om in krap vierhonderd woorden recht te doen aan een boek. Een bespreking is voor mij geslaagd als het lukt om mijn oordeel met de beschrijving van het plot te verweven en de sfeer van het boek te laten doorklinken. Ook wil ik de lezer de ruimte geven om zelf een mening te vormen. Zeg ik dat het taalgebruik wel erg plechtstatig is, dan staaf ik dat met een voorbeeld, zodat iedereen zelf kan uitmaken of dat stoort. Een matig of slecht boek van een onbekende of beginnende schrijver bespreek ik niet. Maar als Guus Kuijer na jaren ineens weer een kinderboek schrijft, dan is daar vast een groot publiek voor. En als dat verhaal – en dit is puur hypothetisch – niet goed in elkaar zit, dan is dat zeker relevant om op te schrijven. Het leukst om te schrijven zijn de recensies over heel goede boeken van nog onbekende auteurs.

Toch zit ik tijdens het lezen niet meteen met het rode potlood in de aanslag. Ik wil het verhaal een eerlijke kans geven om mij te pakken. Ik heb net een stuk geschreven over Amari en de Nachtwachters van B.B. Alston dat op 6 april verschijnt, een kruising tussen Men in Black en Harry Potter met een zwart meisje in de hoofdrol. Dat was zo meeslepend dat ik bladzijdenlang geen aantekening heb gemaakt. Glad vergeten; ik wás Amari. Ik denk dat ik de lijn met mijn kindertijd nooit echt heb doorgesneden. Net als veel kinderboekenschrijvers trouwens, die zijn meestal ook geen ‘mevrouwen en meneren’ geworden, maar kunnen nog heel makkelijk terug naar hoe het was om kind te zijn. Of ik zelf ooit nog een kinderboek zou durven schrijven weet ik niet. Bij sommige van de boeken die ik onder ogen krijg denk ik dat ik het beter zou kunnen, maar minstens zo vaak denk ik: “Dit is zó goed, wat heb ik hier nu nog aan toe te voegen?” Op dit moment is het niet mijn wens om zelf boeken te maken, laat mij er maar over schrijven.’

De Grote Vriendelijke Podcast, met gasten als Jan Terlouw, Tonke Dragt, Charlotte Dematons en Lydia Rood, is gratis te beluisteren via Spotify, alle podcast-apps en www.degrotevriendelijkepodcast.nl.

Interview: Jacinthe Sykora

De leesclub van…


Niet alleen theaters, bioscopen en poppodia hebben last van een onaangename Coronaslaap, maar ook leesclubs, kortgeleden nog prachtplekken van sociaal verkeer, houden noodgedwongen pauze. Dat zou deze rubriek eigenlijk ook moeten doen, maar aan die nederlaag is uw leesclubhongerige interviewer nog niet toe. Daarom vandaag een vraag en een stip op de horizon.

vraag
Als uw leesclub toch nog bij elkaar komt (via Teams, Zoom, Skype, of op een weilandje bij de IJssel) en u vindt het leuk bij te dragen aan deze rubriek, laat het weten.

stip op de horizon
Alles gaat voorbij, en na Corona kunnen alle leesclubs – en het zijn er heel veel – weer als vanouds bij elkaar komen. Een weergaloos web van cultureel cement. Ziet u het voor zich?

Om u voor te bereiden op die grote vreugde herlas ik eerdere interviews en daar haalde ik de volgende blijmakers uit.

een leesclubavond
Je gaat er net even anders vandaan dan dat je er kwam.

zichtbaar achter een schutting
We hebben het niet over elkaars leven maar we leren elkaar toch goed kennen.

jezelf zonder jezelf
Je kunt iets wezenlijks van jezelf met anderen delen zonder het over jezelf te hebben.

letters als medicijn
Het zijn in veertig jaar leesclub juist de boeken die ons uit de sleur houden.

een persoonlijk haakje
Of een boek nu goed of slecht bevonden wordt, een haakje met je eigen leven is altijd wel aanwezig en uiteindelijk gaat het om dat haakje.

leesclubvrienden
Maar bovenal is deze leesclub me ontzettend dierbaar.

Kortom: leve het boek en leve de leesclub!

Herman Krans

Wat leest…?


Fadi El Tofeili, schrijver, vertaler, journalist

Laatste boek: ‘De trilogie Childhood, Youth, Dependency van de Deense Tove Ditlevsen. Indrukwekkend hoe meedogenloos eerlijk zij de kille verhoudingen binnen haar familie ontleedt. De buitenlandse boeken die ik als scholier in Beirut bij de boekenstalletjes van Hamra Street kocht, waren vooral Frans of Amerikaans. Sinds ik in Nederland woon ontdek ik veel werk van nieuwe schrijvers, zoals laatst nog Shuggie Bain van de Schot Douglas Stuart: een grimmig portret van het Thatcher-tijdperk dat mooi laat zien hoe diep historische ontwikkelingen kunnen ingrijpen op de levens van individuen.’

Houdt van: ‘Sinds mijn studie Geschiedenis in Amsterdam houd ik mij bezig met oral history. Ik schrijf en lees graag over persoonlijke ervaringen die licht werpen op grotere gebeurtenissen. Afgelopen tijd las ik A journal of the Plague Year dat Daniel Defoe baseerde op het dagboek van zijn oom over de pestepidemie in Londen in 1665. Laura Spinney bracht mij met haar Pale Rider op het spoor van de Spaanse griep van 1918, een ongekende catastrofe die zich in de schaduw van de Eerste Wereldoorlog voltrok. Mijn moeder van negentig zit vol verhalen over die periode en geregeld keer ik terug naar Libanon om haar herinneringen op te tekenen voor mijn volgende boek. Zij vertelde mij hoe haar vader, voor haar geboorte, door het Ottomaanse leger de oorlog werd ingestuurd. Na drie jaar keerde hij terug in een spookstad; niemand van zijn familie had de epidemie overleefd.’

Favoriete leesplek: ‘Meestal aan tafel omdat ik veel aantekeningen maak. Lezen en schrijven lopen bij mij nu eenmaal voortdurend in elkaar over. Met een koffie en een stapel boeken voor mijn neus in een cafeetje zitten en dan een beetje loom bladeren, dat is voor mij het ultieme geluk.’

Interview en foto: Jacinthe Sykora

Welmoet over Naar omstandigheden nogal slecht van Inger Boxsem

Targets, deadlines, mails, whatsappberichten – dagelijks worden mensen opgejaagd met dwingende eisen die ze elkaar stellen. Geen wonder dat het aantal klachten en diagnoses op het gebied van depressie en burn-out een enorme groei kent de laatste jaren.

Inger Boxsem heeft, aan de hand van haar eigen ervaringen, een zeer verhelderend boek geschreven over de maatschappelijke oorzaken van het groeiende aantal diagnoses, het verloop van de ziekte, de verschillen tussen burn-out en depressie, de behandelwijze en vooral ook de interactie tussen gezin en sociale omgeving van de getroffene. Waar ze de maatschappij scherp veroordeelt in haar onbarmhartige eis tot meer, meer, meer, spreekt ze liefdevol over de rol van haar gezin, familie en vrienden als medeveroorzaker van haar ziekte.

Er is de laatste jaren veel geschreven over burn-out en depressie. In de media vertellen beroemdheden over hun problemen en genezing zonder echt te laten zien wat het inhoudt om depressief te zijn. Inger laat dat in dit boek wel zien, de moeizame weg die lang niet altijd naar beterschap leidt, die slachtoffers eist en verlies kent. Zij stoelt haar kennis op literatuur en wetenschap en zorgt daarmee voor een degelijk fundament.

Een boek voor mensen die getroffen zijn door depressie en/of burn-out maar zeker ook voor iedereen die zich wel eens gestresst voelt; eigenlijk dus voor iedereen.

Welmoet Glaubitz werkte jarenlang als psychotherapeut en relatietherapeut in een eigen praktijk. Op 1 januari 2017 is zij met pensioen gegaan en sinds september van dat jaar werkt ze in de boekwinkel. Lezen is voor haar van jongs af aan een bron van geluk geweest en heeft voeding gegeven aan haar begrip voor de mens en zijn of haar omgeving.

Foto © Jacinthe Sykora

vertaald uit het Frans door Marnik Sarkar

Tatjana over Een Duitse fantasie van Philippe Claudel

Een Duitse fantasie, het nieuwe boek van Philippe Claudel stelde me voor een dilemma. Vertel ik de inhoud dan hoeft u het niet meer te lezen. Maar wat kan ik dan wel zeggen?

Intrigerend is het woord dat opkomt om het boek te typeren en het is aan de lezer om dat zelf te ontdekken. Een Duitse fantasie is op het eerste oog een verzameling losse verhalen. Maar wie dieper kijkt ziet een verbondenheid; de personages zijn allemaal (in meer of mindere mate) geraakt door de oorlog. Bovendien laat Claudel telkens een naam terugkeren, waarbij de lezer zich kan afvragen of het steeds om dezelfde persoon gaat. Ieder verhaal heeft een eigen stijl, die past bij het thema of het personage.

Zo behandelt Claudel op ingenieuze wijze grote onderwerpen als schuld, waarheid en de rol die mensen (denken te) spelen in de geschiedenis. Zoals hij het zelf prachtig verwoordt in het nawoord: ‘Voor mij is Duitsland altijd een spiegel geweest, waarin ik me niet zie zoals ik ben, maar zoals ik zou kunnen zijn.’

Bij de afronding van deze nieuwsbrief hoorden we dat de verschijning van het boek is uitgesteld naar begin juli. Nog even geduld dus!

Tatjana Stuckelschwaiger studeerde Russische taal- en letterkunde in Leiden en werkte jarenlang bij het ministerie van Defensie. Ze woont met haar gezin in Zutphen. Naast de klassieke ‘Russen’ leest ze graag historische romans.

Jacinthe 206

Jacinthe over Iedereen moet ergens zijn van Tjitske Jansen

Het eerste gedicht uit Iedereen moet ergens zijn, de nieuwe bundel van Tjitske Jansen, leest als een beginselverklaring: ‘Volgens een automatisch systeem voegt u tekst toe die lijkt op kletsen.’ Deze melding krijgt Tjitske, zo lezen we, als ze in 2014 nietszeggende biografische feiten op haar Wikipedia-pagina vervangt door meer tot de verbeelding sprekende voorvallen en voorkeuren. Een vergelijkbaar voorval beschrijft ze in haar bundel Voor altijd voor het laatst; een uitgever laat weten dat ze talent heeft, maar beoordeelt haar manuscript als ‘los zand.’ Het antwoord van Tjitske: ‘Wat is er mis met los zand?’

Jansen houdt nu eenmaal van het vertellen in flarden. Ze laat veel weg, maar werkt haar observaties tegelijkertijd heel precies uit, waarbij ze de nadruk legt op al die momenten die vaak onderbelicht blijven. Of ze nu een beeld schetst van haar diepe verlangen naar levenslust en frivoliteit in het gespleten Barneveld van haar jeugd, of de grote tweestrijd die in haar woedt wanneer ze als kind na een val van de trap een bonbon krijgt (stoppen met huilen of niet), meer dan een paar zinnen heeft ze niet nodig. Juist dat maakt haar werk zo indringend. Met ieder gedicht vormen zich nieuwe duintjes in je hoofd die niet snel meer verwaaien.

Jacinthe Sykora studeerde Franse taal- en letterkunde en werkte als vertaalster, onder meer bij het ministerie van Defensie. Na een verblijf van twee jaar in Italië kwam ze te werken in een boekhandel in Drenthe en vervolgens in Zutphen. Met twee jonge dochters zit ze thuis volop in de kinderboeken.

Foto © Moniek Polak

Herman over Erasmus Dwarsdenker van Sandra Langereis

Als er van de op een na beroemdste Nederlander aller tijden een nieuwe biografie verschijnt heb je als part-time boekhandelaar geen keus: lezen zul je!

Ruim zevenhonderd pagina’s vond de schrijfster passend voor Erasmus maar ik struikelde al bij de inleiding, want die ging over een houten scheepsbeeld van Erasmus dat op de wereldzeeën avonturen beleefde. Dat doet een beeld natuurlijk niet. Gelukkig kon ik even later niet anders dan gulzig doorlezen.

Sandra Langereis zet Erasmus niet neer als belangrijkste humanist, maar als mens met zijn persoonlijk verhaal in de grote geschiedenis. Geldzorgen en diarree, professorengekuip, pauselijke machinaties, hofintriges, onrust – politiek en religieus -, goudstukken en paarden, en nog heel veel meer.

Gulzig lezer werd ik vooral omdat Sandra Langereis mij meenam door de held – die geen held is – bijna letterlijk op de voet te volgen. Zij deed dat aan de hand van de uitgebreide correspondentie van Erasmus, diens al dan niet met toestemming uitgegeven werken en verder aan de hand van heel veel andere boeken. Dat alles bracht fijne feitjes en treffende citaten van de man die zo verliefd was op taal en taalstudie dat hij blij was met het celibaat.

Ook de schrijfster geniet zichtbaar van taal als ze schrijft ‘bisschoppelijke kruiwagens’, ‘kurkdroge non-sequiturs’ of ‘Het bier was hier bocht en de wijn al even waardeloos’. De biografie wemelt vast van de verborgen (half-)citaten. Hoogste tijd dus om de verzamelde correspondentie te gaan lezen (3141 brieven), maar daar zal het in dit leven wel niet van komen. Eerst maar eens de inleiding herlezen om te zien wat de avonturen van het houten beeld willen zeggen over Erasmus, zijn tijd, of over ons.

Sinds 1987 is Herman Krans advocaat in Zutphen. Hij houdt zijn hele leven al van boeken (‘Wat is er leuker dan boeken?’) en werkt met groot genoegen op vrijdagavond en zaterdag in de winkel van zijn vrouw Ine.

Annavertaald uit het Engels door Lette Vos

Anna over Meisje, vrouw, anders van Bernadine Evaristo

In 2019 ontving Bernadine Evaristo de Booker Prize voor haar roman Meisje, vrouw, anders, een belangrijk boek over vrouw zijn en over zwart zijn. Het betekende, na vijfentwintig jaar schrijverschap, eindelijk haar doorbraak naar het grote publiek. In Meisje, vrouw, anders vertelt ze over twaalf zwarte vrouwen, jong, oud, lesbisch, hetero, homofoob, feministisch, conservatief, uit verschillende klassen en met verschillende achtergronden, die allemaal op de een of andere manier met elkaar verbonden zijn. We maken onder andere kennis met een toneelschrijfster, een schoonmaakster en haar dochter die in de zakenwereld werkt, en een oud-boerin van in de negentig. Allemaal worden ze op hun eigen manier beïnvloed door hun geschiedenis.

Ik heb gelachen om de jonge Yazz, die een rangorde van al haar peetvaders heeft gemaakt, afhankelijk van de hoogte van het bedrag dat ze jaarlijks op haar verjaardag van hen ontvangt; ik heb getreurd om LaTisha, die op de ene na de andere man verliefd wordt en telkens weer zwanger alleen achterblijft; en ik was ontroerd door Hattie, die haar non-binaire kleinkind accepteert, ook al begrijpt ze daar niks van.

Hoewel Evaristo geen hoofdletters en punten gebruikt (dat went snel), schrijft ze zeer toegankelijk. Met humor en vol energie brengt Evaristo telkens weer nieuwe personages tot leven; alle twaalf vrouwen hebben een eigen persoonlijkheid en een bijzondere gelaagdheid. Een terechte Booker Prize winnaar!

Anna Krans groeide op tussen de boeken, werkte als scholier bij Van Someren & Ten Bosch en studeerde Spaans en Europese studies. Tegenwoordig is ze verantwoordelijk voor de verkoop bij uitgeverij Van Oorschot, werkt ze als freelance redacteur voor diverse uitgeverijen en is ze één dag in de week boekverkoper in onze winkel.

Tip van uw boekhandel

Foto © Annabel Oosteweeghel


Ine over Je mag wel bang zijn, maar niet laf van Toni Boumans

Sjoerd Bakker, geboren in 1915 in een streng gereformeerd gezin, merkte al op zijn zestiende dat hij homoseksueel was. Hij sprak er met zijn vader over, hij streed er tegen en hij stelde zich onder doktersbehandeling. Dat verklaarde hij in 1943 voor de Duitse rechtbank, die hem vanwege zijn verzetswerk ter dood veroordeelde.
In een notendop is dit Toni Boumans’ meeslepende familiegeschiedenis Je mag wel bang zijn, maar niet laf. Hierin vertelt ze het verhaal van de ondernemende familie Bakker uit het Friese Buitenpost. Boumans verdiepte zich in de levens van de negen kinderen en schreef een prachtig portret van het gereformeerde gezinsleven, de onderlinge solidariteit, de worsteling van vier broers met hun homoseksualiteit, de Amsterdamse mode- en kunstenaarswereld, de oorlog, het verzet en de trauma’s.

Elke familiegeschiedenis heeft, als het goed is, iets kenmerkends. Bij de familie Bakker is dat levenslust. Het zijn mensen aan wie je je graag wilt laven. Mij hebben ze in één klap van mijn vooroordelen over streng gereformeerden bevrijd.

Het begon met Sjoerd Bakker, schrijft Boumans in haar proloog. De man die samen met Frieda Belinfante en Willem Arondéus (over wie Boumans eerder een boek en een film maakte) in het kunstenaarsverzet zat. Sjoerd, couturier, naaide de politie-uniformen voor de verzetsgroep die in 1943 een overval pleegde op het Amsterdamse bevolkingsregister. Jarenlang was deze bescheiden man, ook wel de kleermaker van het verzet genoemd, min of meer anoniem gebleven; hij verdiende een biografie.

Maar toen Boumans zich in zijn familieleden begon te verdiepen, bleek achter Sjoerds verhaal een groter verhaal schuil te gaan. ‘Een verhaal over een familie met homoseksuele broers, opgevoed in een streng gereformeerd milieu in Friesland, broers die, net als Sjoerd, in de oorlog de kant kozen van het verzet.’

Een energieke familie, warm, hecht, sterk en standvastig, met een diep vertrouwen in God. Oudste zoon Popke was de enige die de kerk zou verlaten. Als de kinderen, vijf jongens en vier meisjes, bijeen waren, was er altijd veel lawaai. Huilen deden ze niet, ze maakten graag grappen, rookten als ketters en waren onvoorwaardelijk solidair met elkaar.

Al vroeg werd het gezin geconfronteerd met groot leed: moeder Trijntje overleed in het kraambed en vader Miente bleef achter met negen kinderen. Die werden allemaal op verschillende plekken in het land ondergebracht. Bijzonder is hoe vader contact hield met al zijn kinderen. De jongens namen hem in vertrouwen over hun latente homoseksuele gevoelens en de diepgelovige Miente liet hen niet in de steek maar probeerde ze te helpen. Hij was een wijze vader die zijn kinderen serieus nam.

Boumans vertelt het verhaal van de familie Bakker in drie delen, simpel getiteld: ‘voor de oorlog’, ‘de oorlog’ en ‘na de oorlog’. In het eerste deel maken we kennis met de familie en zien we hoe het winkeltje in garen, banden, knopen en veters van grootmoeder Dieuwke uitgroeit tot het latere mode-imperium P.S. Bakker. Alle broers Bakker vinden uiteindelijk hun weg naar Amsterdam. Boumans volgt hun sporen in het joodse modehuis Hirsch en cie, het kunstenaarsverzet, de illegale pers van oom Paul Bakker, de uitgeverij van neef Bert Bakker, een onderduikadres in Den Haag, kamp Amersfoort en de schietpartij op de Dam op 7 mei 1945. Ze laat zien hoe vanzelfsprekend moedig zijn voor hen was en hoe hun geloof daar de basis van was.

Het zijn de vele prachtige details die het verhaal zo aangrijpend maken. Boumans, eerder geprezen om haar biografie van celliste en dirigente Frieda Belinfante, moet een enorme hoeveelheid materiaal doorgenomen hebben om haar personages zo tot leven te kunnen brengen. De ontroerende brieven van de kinderen aan hun vader, het stukje roze overhemd van Sjoerd dat na de oorlog in de Bloemendaalse duinen werd gevonden, het verhaal van zus Baukje over wat er aan zijn executie vooraf ging: ‘Hij heeft ons allemaal getroost en zei: “Ik wil dat vader voor ons allemaal nog een keer uit de Bijbel leest, Romeinen 8: In dit alles zijn wij meer dan overwinnaars.”’

Alleen de naoorlogse periode komt er een beetje bekaaid af. Het drama van broer Dirk – hij pleegde zelfmoord – was misschien beter uit de verf gekomen als daar meer ruimte voor was geweest. Bij hem was de levenslust helaas op. Ik had daar graag iets meer over gelezen. Maar aan de kracht van dit indrukwekkende boek doet dit niets af.

Ine Soepnel studeerde Nederlandse taal- en letterkunde, werkte jarenlang in de uitgeverij en is sinds 1 februari 2015 boekhandelaar in de stad waarin ze al sinds 1985 woont.

Inschrijven nieuwsbrief