Slider

Nieuwsbrief

Tip van uw boekhandel

Foto © Annabel Oosteweeghel


Ine over Je mag wel bang zijn, maar niet laf van Toni Boumans

Sjoerd Bakker, geboren in 1915 in een streng gereformeerd gezin, merkte al op zijn zestiende dat hij homoseksueel was. Hij sprak er met zijn vader over, hij streed er tegen en hij stelde zich onder doktersbehandeling. Dat verklaarde hij in 1943 voor de Duitse rechtbank, die hem vanwege zijn verzetswerk ter dood veroordeelde.
In een notendop is dit Toni Boumans’ meeslepende familiegeschiedenis Je mag wel bang zijn, maar niet laf. Hierin vertelt ze het verhaal van de ondernemende familie Bakker uit het Friese Buitenpost. Boumans verdiepte zich in de levens van de negen kinderen en schreef een prachtig portret van het gereformeerde gezinsleven, de onderlinge solidariteit, de worsteling van vier broers met hun homoseksualiteit, de Amsterdamse mode- en kunstenaarswereld, de oorlog, het verzet en de trauma’s.

Elke familiegeschiedenis heeft, als het goed is, iets kenmerkends. Bij de familie Bakker is dat levenslust. Het zijn mensen aan wie je je graag wilt laven. Mij hebben ze in één klap van mijn vooroordelen over streng gereformeerden bevrijd.

Het begon met Sjoerd Bakker, schrijft Boumans in haar proloog. De man die samen met Frieda Belinfante en Willem Arondéus (over wie Boumans eerder een boek en een film maakte) in het kunstenaarsverzet zat. Sjoerd, couturier, naaide de politie-uniformen voor de verzetsgroep die in 1943 een overval pleegde op het Amsterdamse bevolkingsregister. Jarenlang was deze bescheiden man, ook wel de kleermaker van het verzet genoemd, min of meer anoniem gebleven; hij verdiende een biografie.

Maar toen Boumans zich in zijn familieleden begon te verdiepen, bleek achter Sjoerds verhaal een groter verhaal schuil te gaan. ‘Een verhaal over een familie met homoseksuele broers, opgevoed in een streng gereformeerd milieu in Friesland, broers die, net als Sjoerd, in de oorlog de kant kozen van het verzet.’

Een energieke familie, warm, hecht, sterk en standvastig, met een diep vertrouwen in God. Oudste zoon Popke was de enige die de kerk zou verlaten. Als de kinderen, vijf jongens en vier meisjes, bijeen waren, was er altijd veel lawaai. Huilen deden ze niet, ze maakten graag grappen, rookten als ketters en waren onvoorwaardelijk solidair met elkaar.

Al vroeg werd het gezin geconfronteerd met groot leed: moeder Trijntje overleed in het kraambed en vader Miente bleef achter met negen kinderen. Die werden allemaal op verschillende plekken in het land ondergebracht. Bijzonder is hoe vader contact hield met al zijn kinderen. De jongens namen hem in vertrouwen over hun latente homoseksuele gevoelens en de diepgelovige Miente liet hen niet in de steek maar probeerde ze te helpen. Hij was een wijze vader die zijn kinderen serieus nam.

Boumans vertelt het verhaal van de familie Bakker in drie delen, simpel getiteld: ‘voor de oorlog’, ‘de oorlog’ en ‘na de oorlog’. In het eerste deel maken we kennis met de familie en zien we hoe het winkeltje in garen, banden, knopen en veters van grootmoeder Dieuwke uitgroeit tot het latere mode-imperium P.S. Bakker. Alle broers Bakker vinden uiteindelijk hun weg naar Amsterdam. Boumans volgt hun sporen in het joodse modehuis Hirsch en cie, het kunstenaarsverzet, de illegale pers van oom Paul Bakker, de uitgeverij van neef Bert Bakker, een onderduikadres in Den Haag, kamp Amersfoort en de schietpartij op de Dam op 7 mei 1945. Ze laat zien hoe vanzelfsprekend moedig zijn voor hen was en hoe hun geloof daar de basis van was.

Het zijn de vele prachtige details die het verhaal zo aangrijpend maken. Boumans, eerder geprezen om haar biografie van celliste en dirigente Frieda Belinfante, moet een enorme hoeveelheid materiaal doorgenomen hebben om haar personages zo tot leven te kunnen brengen. De ontroerende brieven van de kinderen aan hun vader, het stukje roze overhemd van Sjoerd dat na de oorlog in de Bloemendaalse duinen werd gevonden, het verhaal van zus Baukje over wat er aan zijn executie vooraf ging: ‘Hij heeft ons allemaal getroost en zei: “Ik wil dat vader voor ons allemaal nog een keer uit de Bijbel leest, Romeinen 8: In dit alles zijn wij meer dan overwinnaars.”’

Alleen de naoorlogse periode komt er een beetje bekaaid af. Het drama van broer Dirk – hij pleegde zelfmoord – was misschien beter uit de verf gekomen als daar meer ruimte voor was geweest. Bij hem was de levenslust helaas op. Ik had daar graag iets meer over gelezen. Maar aan de kracht van dit indrukwekkende boek doet dit niets af.

Ine Soepnel studeerde Nederlandse taal- en letterkunde, werkte jarenlang in de uitgeverij en is sinds 1 februari 2015 boekhandelaar in de stad waarin ze al sinds 1985 woont.

Inschrijven nieuwsbrief