Banner trap

Nieuwsarchief

Eerdere favorieten

Herman over Op weg naar vrijheid

Filosoof Lammert Kamphuis filosofeert niet voor het filosoferen, maar voor het leven.

Als je geen zin hebt om honderden pagina’s stoïcijnen te lezen, lees dan Op weg naar vrijheid van Lammert Kamphuis; een prachtige bloemlezing stoïcijnse filosofie, op thema geordend zodat het ook voor een stoïcijnse leek te behappen is.

Vanuit de basisgedachte dat stoïcijns in het leven staan vrijheid geeft koppelt Kamphuis citaten van schrijvers als Seneca, Marcus Aurelius en Epictetus aan 21 zorgelijke zaken waar je stoïcijns vrij van kunt worden. Hij begint zijn bloemlezing in deze virustijden natuurlijk met vrij van ziekte. De aanwijzingen van Seneca – veracht de dood – en die van Epictetus – maak van de ziekte een sieraad – geven ruim stof tot nadenken. Na vrij van ziekte komen nog vrij van drukte, vrij van keuzestress, vrij van foute vrienden, vrij van armoede, vrij van zorgen, etc., etc.

Onthouden heb ik dat ja zeggen tegen het leven betekent dat je door de stroom wordt meegevoerd, terwijl nee zeggen betekent dat je erdoor wordt meegesleurd.

Het deed me even denken aan (misschien kent u hem nog) Frater Venantius met zijn beroemde lied ‘zeg maar ja tegen het leven anders zegt het leven nog nee.’

Ik doe m’n best.

vertaald uit het Engels door Margarete Grose-Roolfs

Ine over Vogels als huisgenoten

‘Toen ik ’s winters eens drie weken ziek was speelden de mezen elke dag op mijn bed. (…) Ze paradeerden over mij heen, staart uitgespreid, vleugels half slepend, kopje hoog in de lucht. Ze maakten daarbij gekke geluidjes en zagen er zo dwaas uit dat ik mijn lachen niet kon inhouden.’

Len Howard (1894-1973) bestudeerde jarenlang de vogels in haar eigen huis en tuin. Als ze haar armen uitstak, kwamen daar meteen tientallen mezen en roodborstjes op zitten. De vogels voelden zich volkomen op hun gemak bij haar.

Howard was beroepsmusicus – ze speelde altviool in het London Symphony Orchestra – maar werd beroemd door haar kostelijke vogelobservaties. Ze kende alle vogels in haar tuin en gaf ze namen als Kaalkop, Grijsje en Kronkel. Ze fladderden door haar huis, deden een dutje op haar knie, wachtten haar op bij de bushalte en broedden in de vele nestkastjes die ze in de bomen rond haar huis ophing.

Als je Howards onvergetelijke boek leest, kun je maar één conclusie trekken: vogels zijn net zo slim als mensen en ze verdienen aanzienlijk meer respect dan ze doorgaans van ons krijgen. Gruwelijk is dan ook dat vlak na Howards dood de bomen in haar tuin werden gekapt; niets minder dan een terroristische aanslag. Howard moet zich in haar graf hebben omgedraaid.

hockney2 206

Jacinthe over A history of pictures

Stel je voor: je zit op een terras en hoort hoe aan het tafeltje naast je David Hockney in een vrolijk gesprek verwikkeld is met kunstcriticus Martin Gayford. Zo voelt het lezen van de begin dit jaar verschenen heruitgave van hun sprankelende en rijk geïllustreerde standaardwerk A History of Pictures.

Waar veel kunstgeschiedenissen schilderkunst en andere disciplines als fotografie en film strikt gescheiden houden, gaat dit boek over beeld in de breedste zin van het woord. Als de zoektocht van Hockney en Gayford iets duidelijk maakt is het wel dat al deze kunstvormen onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn; wie een still uit Disney’s ‘Pinocchio’ grondig bestudeert, ziet ineens parallellen met de Japanse prentkunst, en een foto van Marlene Dietrich blijkt opvallend veel gelijkenis te vertonen met de Mona Lisa. Maar: ‘Denk nooit dat een foto echter is dan een schilderij. Dat is hetzelfde als beweren dat Piero della Francesca met zijn fresco het bewijs voor de verrijzenis van Christus geleverd heeft’, aldus Hockney.

Laat je meevoeren en ontdek al bladerend de talloze dwarsverbanden. Voor (groot)ouders die hun enthousiasme willen overbrengen: bij Lemniscaat verscheen een al even prikkelende kindereditie van dit boek.

vertaald uit het Frans door Gertrud Maes

Monica over Mathilde

Tegen de achtergrond van het Marokko van de jaren veertig en vijftig, tot 1956 een protectoraat van Frankrijk, wordt de Franse Mathilde, de grootmoeder van Leila Slimani, verliefd op Amine, een Marokkaanse officier in het Franse leger. Kort na de Tweede Wereldoorlog vertrekken ze samen naar Marokko, waar ze zich vestigen op Amines primitieve boerderij. Op zeer invoelende wijze beschrijft Slimani de spanningen in hun huwelijk. Mathilde mist de luxe van het westerse leven: mooie kleding, een bezoekje aan de bioscoop, een lekker geurtje. Amine, op zijn beurt, werkt keihard om zijn gezin van een toekomst te verzekeren, houdt zielsveel van zijn vrouw, maar verwacht ook dat zij zich aanpast aan de lokale Marokkaanse gebruiken.

De botsingen die dit oplevert – tussen twee mensen en tussen twee culturen – zijn even confronterend als menselijk. Maar uiteindelijk blijkt de kracht van de liefde toch de sterkste.

Sterre over Reis door mijn kamer

In deze tijd, waarin reizen niet vanzelfsprekend is, laat Maarten Biesheuvel in de bundel Reis door mijn kamer ons op meesterlijke wijze zien, dat wij niet ver weg hoeven te gaan voor nieuwe inzichten en bijzondere verhalen. Herinneringen lijken zich te vermengen met fantasie. In het titelverhaal neemt Biesheuvel ons mee door zijn ‘kamertje’ en geeft elk voorwerp een persoonlijke betekenis mee, waardoor je een goed beeld krijgt van zijn schrijverschap: ‘… dat zwart geschilderde blad waarop ooit onderzeeërs zijn ontworpen, daarna pakken door mijn moeder, daarna huwelijksgedichten door mijn vader, daarna verhalen van mezelf…

In Zieke dieren loopt een vader na een ruzie met zijn vrouw het water in en kijkt achterom waar hij zijn zoontje op de kant ziet staan, die het hele stuk achter hem aan is gerend en besluit dan toch naar huis te gaan: ‘mijn vader had nog nooit mijn hand gepakt, hij stopte mijn handje in de zak van zijn kiel, een diepe, warme, natte zak, en bleef mijn hand vasthouden.’ Zo leidt Biesheuvel ons langzaam het leven van een personage binnen, grijpt ons bij de keel met ontroerende beelden om ons uiteindelijk in stilte en eenzaamheid achter te laten.

De verhalen roepen vragen op, halen herinneringen naar boven en voor je het weet, maak je zelf een denkbeeldige reis door je kamer.

Anna over Wij zijn licht

Een paar jaar geleden kocht ik voor een paar euro op de Uitmarkt een verhalenbundel van een mij onbekende auteur, met de intrigerende titel Aan doodgaan dachten we niet. Al na het eerste verhaal – over een jongetje, een pingpongbal en een naderende krooshekreiniger – wist ik: van Gerda Blees wil ik meer lezen.

Dit jaar verscheen dan eindelijk haar langverwachte debuutroman, Wij zijn licht, gebaseerd op een waargebeurd verhaal. Blees vertelt over de bewoners van woongroep Klank en Liefde, die besluiten te leven van het licht, totdat een van hen aan een gebrek aan voedsel overlijdt en de andere drie op verdenking van dood door schuld worden aangehouden. In vijfentwintig korte hoofdstukken laat ze zien hoe het zover heeft kunnen komen. Het meest bijzondere is de manier waarop ze dat doet: ieder hoofdstuk is geschreven vanuit een ander perspectief, en begint met ‘Wij zijn…’. De buren, een cello en zelfs iets abstracts als de plaats delict of een sinaasappelgeur geven hun visie op het gebeuren en langzaam vallen de puzzelstukjes op hun plaats.

Op subtiele wijze, vol onderkoelde, bijna terloopse humor zet Blees ons aan het denken over hoe eenvoudig je soms compleet in de ban kunt raken van een ander, en over hoe gemakkelijk het is om zonder voorkennis te oordelen over anderen. Wij zijn onder de indruk van dit debuut.

Herman over Het landschap, de mensen

Als u sentimenteel wordt bij het tuinpad van mijn vader of bij de hoge bomen (Wim Sonneveld Het dorp) dan leest u liever niet Het landschap, de mensen van Auke van der Woud. De tranen zouden u over de wangen lopen. Maar als u wilt weten hoe van 1850 tot 1940 ons landschap radicaal veranderde onder nuttigheidsdenken en hoe ook de mensen anders gingen leven, anders gingen denken, dan kunt u zich geen betere gids wensen dan Auke van der Woud. Net als in zijn eerdere boeken combineert Van der Woud wetenschappelijke kennis met een fijne, levendige pen.

Zo beschrijft hij ‘de wereld van verschil’ tussen de plaggenhut en het arbeidershuisje volgens de woningwet van 1901 en bijvoorbeeld ook hoe de Heidemaatschappij cultuurtechniek zowel wetenschappelijk als praktisch van groot belang vond en zichzelf zelfbewust bij ieder mogelijk jubileumjaar met een gedenkboek feliciteerde.

Een enkele slotalinea besteedt Van der Woud aan het landschap na 1940 en het landschap na nu, met als kernboodschap: als álles gericht blijft op waardecreatie dan houden we níets meer over.

Jacinthe over Russische sprookjes

Deze maand verscheen bij uitgeverij Gottmer Russische sprookjes van de inmiddels 87-jarige maar nog altijd uiterst productieve Thé Tjong-Khing. Voor dit vierde deel in de reeks De sprookjesverteller verzamelde hij veertien bekende – zoals het sprookje over de vuurvogel of de heks Baba Jaga – maar vooral ook minder bekende Russische verhalen.

‘Spelen op papier’, noemt Khing het tekenen dat bij hem meer levenswijze dan ambacht is geworden. En inderdaad: ook bij deze nieuwe sprookjes spat het tekenplezier van de pagina’s.
Maar behalve illustrator is Khing ook een fijne verteller. Toen hij tijdens het voorlezen van zijn kleinzoon Tobias merkte dat die bij de oorspronkelijke, ingewikkelde vertaling van de sprookjes afhaakte, besloot hij deze speciaal voor hem te herschrijven. En dat voel je: de tekst heeft veel vaart en geregeld mengt de verteller zich met geestige, laconieke tussenzinnetjes in het verhaal.

Dat alles maakt de sprookjes aantrekkelijk om voor te lezen aan jongere kinderen. Wat overigens niet wil zeggen dat de verhalen niet vol lugubere gebeurtenissen (van verkoolde stiefmoeders tot gekookte tsaren) zitten, maar daar zijn het nu eenmaal sprookjes voor. Bovendien zijn gelukkige mensen volgens Khing dodelijk saai om te tekenen; slechteriken zijn veel leuker. Voorlezen vanaf 5 à 6 jaar.

vertaald uit het Engels door Els de Roon Hertoge en Annelies de Hertogh

Tatjana over Verdwijnende aarde

Kamtsjatka, waar de inheemse volkeren ’s zomers hun kuddes over de toendra jagen en waar ’s winters je wimpers vastvriezen van de kou is misschien niet voor iedereen de meest voor de hand liggende bestemming. De Amerikaanse schrijfster Julia Phillips koos voor haar debuutroman Verdwijnende aarde dit ruige en mysterieuze Siberische schiereiland aan de Beringzee als decor voor haar verhaal.

Het boek begint met de verdwijning van twee zusjes en beschrijft het jaar dat op deze traumatische gebeurtenis volgt, de hoofdstukken verdeeld in maanden. Elke maand maakt de lezer kennis met een aantal inwoners van Kamtsjatka, zowel Russen als inheemse bewoners, die, al is het maar met een dun draadje, met elkaar verbonden zijn door de verdwijning van de meisjes. In een stijl die beeldend maar zonder opsmuk is, beschrijft Phillips hun verlangens, twijfels en angsten en maakt ze de sociale en etnische spanningen voelbaar. Zo schetst ze een beeld van het harde leven in die verre uithoek van Rusland met zijn dichte wouden en rokende vulkanen. Toen ik het boek uit had, dacht ik: Kamtsjatka, daar moet ik toch echt eens naar toe.

vertaald uit het Amerikaans door Piet Dal, Arjanne van Luipen, Pon Ruiter, Ineke van den Elskamp, Rob Kuitenbrouwer en Sjaak de Jong

Welmoet over Deze waarheden

In deze waanzinnige wereld waarin fake news en intimidatie de presidentsverkiezingen in Amerika beheersen, probeer ik het hoofd koel te houden en te begrijpen hoe het in de VS (en bij ons) zover heeft kunnen komen. Gelukkig biedt Jill Lepore in Deze waarheden een geweldig overzicht van de Amerikaanse geschiedenis, van de ‘ontdekking’ van Amerika door Columbus tot aan de verkiezing van Donald Trump.

Lepore ontleent de titel van haar boek aan een strofe uit de Amerikaanse grondwet: Wij achten deze waarheden vanzelfsprekend, dat alle mensen gelijk geschapen zijn, dat ze door hun Schepper begiftigd zijn met zekere onvervreemdbare Rechten, dat daaronder zijn Leven, Vrijheid en het nastreven van Geluk. Helaas werden slaven, zwarten, vrouwen, Chinezen en Japanners tot ver in de vorige eeuw van deze onvervreemdbare rechten uitgesloten.

Enkele constanten duiken steeds in het boek op: de onvoorstelbare discriminatie van de zwarte bevolking, de macht van het Hooggerechtshof, het grenzeloze geloof van de Amerikanen in techniek, de invloed van campagneteams en marketingtechnieken.

Nee, het is geen boek dat vrolijk maakt. Ik heb het ettelijke keren verontwaardigd weggelegd om het even later toch weer gretig op te pakken; het is immers voor een groot deel ook onze geschiedenis.

vertaald uit het Deens door Lammie Post-Oostenbrink

Anna over de Kopenhagentrilogie

In Denemarken geldt Tove Ditlevsen (1917-1976) als een van de grootste schrijvers van de afgelopen eeuw, maar daarbuiten is ze nauwelijks bekend. Gelukkig is er nu de vertaling van haar autobiografische Kopenhagentrilogie (vertaald door Lammie Post-Oostenbrink). In drie delen vertelt Ditlevsen over haar leven in Kopenhagen, vanaf haar vroege jeugd in een arbeiderswijk, tot ongeveer haar vijfendertigste, wanneer ze na een paar gestrande huwelijken met een verslaving worstelt.

In Kindertijd leren we Tove kennen als een echt buitenbeentje, dat al vroeg droomt van een leven als dichter. Ondanks de uitzichtloze armoede waarin Ditlevsen opgroeit, is haar beschrijving van deze jaren verrassend licht van toon.

’s Ochtends was er hoop. Die zat als een vluchtige lichtglimp op mijn moeders zwarte, gladde haar, dat ik nooit durfde aan te raken, en lag op mijn tong samen met de suiker op de lauwwarme havermout.

In Jeugd ontmoet Tove na een lange reeks onbevredigende baantjes een oudere man, die werkzaam is in het Kopenhaagse literaire circuit. Hij erkent haar talent en biedt haar zo een uitweg uit het arbeidersbestaan. In Afhankelijkheid is ze met deze man getrouwd, en is haar eerste dichtbundel verschenen. Toch is Tove niet gelukkig; mannen en pijnstillers zijn haar medicijn.

Waar de eerste twee delen een vermakelijk beeld geven van een pubermeisje dat vol jeugdige onbezonnenheid de wereld beziet, altijd met een licht dramatische, melancholische ondertoon, is het derde deel een rauw, sec en eerlijk verslag van haar niet aflatende strijd om maar niet afhankelijk te hoeven zijn.

vertaald uit het Duits door Marion Hardoar

Herman over Koffie en sigaretten

In Koffie en sigaretten deelt Von Schirach met zijn lezers herinneringen, vaak met als kern het persoonlijke verhaal van een gespreksgenoot en altijd met observaties die je aan het denken zetten.

175 bladzijden, 48 verhalen – het kortste een halve pagina, het langste tien pagina’s.

‘We zoeken boeken die voor ons geschreven zijn.’ Zo is het. Zelden las ik een boek met verhalen over mensen zo snel en zo moeiteloos geconcentreerd uit. Koffie en Sigaretten is niet alleen voor veel Duitsers (maanden op de bestsellerlijst) geschreven, maar ook voor mij. Waarom? Dat kan ik u niet vertellen.

Dan zou ik mezelf moeten kennen en dat is volgens Von Schirach, het orakel van Delphi ten spijt, niet mogelijk. ‘We hebben kennis van de dood en dat is wel alles, dat is ons hele verhaal.’

Ik geef u nog twee citaten en als u daar net als ik met of zonder zelfkennis levenslust uithaalt, dan is het boek misschien ook voor u geschreven.

Von Schirach zegt het anders dan Rutger Kopland (“Het verlangen naar een sigaret …”) in een verhaal over roken en Helmut Schmidt: ‘Een echte speler moet verliezen om het spel te verdragen en het roken zou hem geen plezier gedaan hebben als het niet zo ongelofelijk ongezond was geweest. Elke sigaret is een “memento mori.”’

De stoïcijnen komen ook hier even voorbij, in een verhaal over een dode vriend. Een mooi jongetje, vier jaar oud, blonde krullen heeft zijn knuffelgiraf in de kist van zijn vader gelegd zodat zijn vader daar niet zo alleen is. ‘Met Epictetus’ regels kun je leven als er maar niets gebeurt.’

Ine over De tuinen van Buitenzorg

Ik had ook heel goed zonder kinderen kunnen leven. Je wordt toch iemand anders met kinderen (…), je wordt moeder, en al is iedereen moeder op een andere manier, alle moeders lijken op elkaar.

In De tuinen van Buitenzorg reconstrueert Jan Brokken het leven van zijn ouders Olga en Han, voordat ze hem, naoorlogs nakomertje, kregen. Gebaseerd op brieven van zijn moeder, foto’s, zijn eigen herinneringen, veld- en studiewerk schetst hij hun verblijf in Indië ˗ twaalf jaren van ongekend geluk, intense schoonheid, intellectuele uitdaging en bittere oorlogsellende.

Olga is het stralende middelpunt van dit fijngevoelige portret. Ze verdiept zich in de lokale talen, studeert, schrijft, musiceert, en geeft naailes aan Makassaarse vrouwen. Van haar erfde Jan Brokken onmiskenbaar zijn prachtige pen. ‘Buitenzorg… Als ik die naam hoor, voel ik me meteen weer gelukkig worden. Daar begon alles voor ons. Het ruisen van de palmen, een geluid dat aan harken doet denken, geduldig bladeren harken.’

De vrouw die Indië het mooiste land ter wereld noemde, keerde in 1947 met man en twee zoontjes terug naar Nederland. Ze was niet meer dezelfde toen ze daar een keurige domineesvrouw en Jan Brokkens moeder werd. ‘Nergens zoveel geleden, nergens zo intens geleefd.’

Pijnlijk en prachtig, voor mij een van de hoogtepunten in het oeuvre van Jan Brokken.

Monica over De boom met de bittere bladeren

Kort geleden was ik in Rwanda en niet lang daarna verscheen het jeugdboek De boom met de bittere bladeren van Ruth Erica, over de nasleep van de burgeroorlog tussen de Hutu’s en de Tutsi’s (1994). Ik was meteen nieuwsgierig.

Erica vertelt over de gevolgen van de Rwandese genocide vanuit de ogen van de zeventienjarige Maridadi, die op haar vierde haar moeder verloor en erachter probeert te komen wat er gebeurd is. Niemand durft haar iets te vertellen, iedereen die ze spreekt zwijgt angstvallig.

Gelukkig ontmoet Maridadi de Nederlandse antropologiestudente Puck, die onderzoek doet in Rwanda. Door Pucks openheid en assertiviteit komt Maridadi’s zoektocht naar haar familie in een stroomversnelling.

Als lezer word je meegenomen in Maridadi’s geschiedenis, te midden van een kloof tussen twee bevolkingsgroepen. Het boek gaat over wij-zij-denken, over verdraagzaamheid, over ergens bij willen horen of je er juist tegen af willen zetten, over afkeer en haat, over liefde en vergeving. De boom met de bittere bladeren is een aangrijpend verhaal over de Rwandese genocide, een stuk geschiedenis waar we in Europa maar weinig van afweten, maar met, helaas, thema’s van alle tijden en culturen.

Ruth Erica maakt deze beladen geschiedenis op bijzonder knappe wijze bespreekbaar. Het is verrijkend voor jong en oud, en uitermate geschikt voor kinderen van 13 jaar en ouder.

natuur 195

Lena over De ontdekking van de natuur

Ik heb zelf al aardig wat natuurboeken, maar De ontdekking van de natuur van Hans Mulder is absoluut een aanwinst. Mulder is historicus en conservator van de natuurhistorische collectie van het Allard Pierson. In twintig hoofdstukken vertelt hij over verschillende ontdekkingsreizigers en natuurwetenschappers die tussen 1500 en 1900 een belangrijk steentje hebben bijgedragen aan de manier waarop wij nu naar de natuur kijken. Alleen voor het oog is dit boek al een groot plezier; het zit boordevol prachtige illustraties van hondenrassen, vogelbekdieren en insecten tot zevenhoofdige draken en basilisken, allemaal afkomstig uit de Allard Pierson collectie.

Ook de tekst is meer dan de moeite waard; het laat ons niet alleen zien hoe we aan onze huidige visie en kennis van de natuur zijn gekomen, maar dat het goed is om onze nieuwsgierigheid te volgen in plaats van ervan uit te gaan dat wat we denken te weten altijd de waarheid is. Hans Mulder neemt ons mee op deze reis door de wetenschap en maakt ons mede-ontdekker van de natuur.

Welmoet over Naar omstandigheden nogal slecht

Targets, deadlines, mails, whatsappberichten – dagelijks worden mensen opgejaagd met dwingende eisen die ze elkaar stellen. Geen wonder dat het aantal klachten en diagnoses op het gebied van depressie en burn-out een enorme groei kent de laatste jaren.

Inger Boxsem heeft, aan de hand van haar eigen ervaringen, een zeer verhelderend boek geschreven over de maatschappelijke oorzaken van het groeiende aantal diagnoses, het verloop van de ziekte, de verschillen tussen burn-out en depressie, de behandelwijze en vooral ook de interactie tussen gezin en sociale omgeving van de getroffene. Waar ze de maatschappij scherp veroordeelt in haar onbarmhartige eis tot meer, meer, meer, spreekt ze liefdevol over de rol van haar gezin, familie en vrienden als medeveroorzaker van haar ziekte.

Er is de laatste jaren veel geschreven over burn-out en depressie. In de media vertellen beroemdheden over hun problemen en genezing zonder echt te laten zien wat het inhoudt om depressief te zijn. Inger laat dat in dit boek wel zien, de moeizame weg die lang niet altijd naar beterschap leidt, die slachtoffers eist en verlies kent. Zij stoelt haar kennis op literatuur en wetenschap en zorgt daarmee voor een degelijk fundament.

Een boek voor mensen die getroffen zijn door depressie en/of burn-out maar zeker ook voor iedereen die zich wel eens gestresst voelt; eigenlijk dus voor iedereen.

vertaald uit het Frans door Marnik Sarkar

Tatjana over Een Duitse fantasie

Een Duitse fantasie, het nieuwe boek van Philippe Claudel stelde me voor een dilemma. Vertel ik de inhoud dan hoeft u het niet meer te lezen. Maar wat kan ik dan wel zeggen?

Intrigerend is het woord dat opkomt om het boek te typeren en het is aan de lezer om dat zelf te ontdekken. Een Duitse fantasie is op het eerste oog een verzameling losse verhalen. Maar wie dieper kijkt ziet een verbondenheid; de personages zijn allemaal (in meer of mindere mate) geraakt door de oorlog. Bovendien laat Claudel telkens een naam terugkeren, waarbij de lezer zich kan afvragen of het steeds om dezelfde persoon gaat. Ieder verhaal heeft een eigen stijl, die past bij het thema of het personage.

Zo behandelt Claudel op ingenieuze wijze grote onderwerpen als schuld, waarheid en de rol die mensen (denken te) spelen in de geschiedenis. Zoals hij het zelf prachtig verwoordt in het nawoord: ‘Voor mij is Duitsland altijd een spiegel geweest, waarin ik me niet zie zoals ik ben, maar zoals ik zou kunnen zijn.’

Jacinthe over Iedereen moet ergens zijn

Het eerste gedicht uit Iedereen moet ergens zijn, de nieuwe bundel van Tjitske Jansen, leest als een beginselverklaring: ‘Volgens een automatisch systeem voegt u tekst toe die lijkt op kletsen.’ Deze melding krijgt Tjitske, zo lezen we, als ze in 2014 nietszeggende biografische feiten op haar Wikipedia-pagina vervangt door meer tot de verbeelding sprekende voorvallen en voorkeuren. Een vergelijkbaar voorval beschrijft ze in haar bundel Voor altijd voor het laatst; een uitgever laat weten dat ze talent heeft, maar beoordeelt haar manuscript als ‘los zand.’ Het antwoord van Tjitske: ‘Wat is er mis met los zand?’

Jansen houdt nu eenmaal van het vertellen in flarden. Ze laat veel weg, maar werkt haar observaties tegelijkertijd heel precies uit, waarbij ze de nadruk legt op al die momenten die vaak onderbelicht blijven. Of ze nu een beeld schetst van haar diepe verlangen naar levenslust en frivoliteit in het gespleten Barneveld van haar jeugd, of de grote tweestrijd die in haar woedt wanneer ze als kind na een val van de trap een bonbon krijgt (stoppen met huilen of niet), meer dan een paar zinnen heeft ze niet nodig. Juist dat maakt haar werk zo indringend. Met ieder gedicht vormen zich nieuwe duintjes in je hoofd die niet snel meer verwaaien.

Herman over Erasmus Dwarsdenker

Als er van de op een na beroemdste Nederlander aller tijden een nieuwe biografie verschijnt heb je als part-time boekhandelaar geen keus: lezen zul je!

Ruim zevenhonderd pagina’s vond de schrijfster passend voor Erasmus maar ik struikelde al bij de inleiding, want die ging over een houten scheepsbeeld van Erasmus dat op de wereldzeeën avonturen beleefde. Dat doet een beeld natuurlijk niet. Gelukkig kon ik even later niet anders dan gulzig doorlezen.

Sandra Langereis zet Erasmus niet neer als belangrijkste humanist, maar als mens met zijn persoonlijk verhaal in de grote geschiedenis. Geldzorgen en diarree, professorengekuip, pauselijke machinaties, hofintriges, onrust – politiek en religieus -, goudstukken en paarden, en nog heel veel meer.

Gulzig lezer werd ik vooral omdat Sandra Langereis mij meenam door de held – die geen held is – bijna letterlijk op de voet te volgen. Zij deed dat aan de hand van de uitgebreide correspondentie van Erasmus, diens al dan niet met toestemming uitgegeven werken en verder aan de hand van heel veel andere boeken. Dat alles bracht fijne feitjes en treffende citaten van de man die zo verliefd was op taal en taalstudie dat hij blij was met het celibaat.

Ook de schrijfster geniet zichtbaar van taal als ze schrijft ‘bisschoppelijke kruiwagens’, ‘kurkdroge non-sequiturs’ of ‘Het bier was hier bocht en de wijn al even waardeloos’. De biografie wemelt vast van de verborgen (half-)citaten. Hoogste tijd dus om de verzamelde correspondentie te gaan lezen (3141 brieven), maar daar zal het in dit leven wel niet van komen. Eerst maar eens de inleiding herlezen om te zien wat de avonturen van het houten beeld willen zeggen over Erasmus, zijn tijd, of over ons.

vertaald uit het Engels door Lette Vos

Anna over Meisje, vrouw, anders

In 2019 ontving Bernadine Evaristo de Booker Prize voor haar roman Meisje, vrouw, anders, een belangrijk boek over vrouw zijn en over zwart zijn. Het betekende, na vijfentwintig jaar schrijverschap, eindelijk haar doorbraak naar het grote publiek. In Meisje, vrouw, anders vertelt ze over twaalf zwarte vrouwen, jong, oud, lesbisch, hetero, homofoob, feministisch, conservatief, uit verschillende klassen en met verschillende achtergronden, die allemaal op de een of andere manier met elkaar verbonden zijn. We maken onder andere kennis met een toneelschrijfster, een schoonmaakster en haar dochter die in de zakenwereld werkt, en een oud-boerin van in de negentig. Allemaal worden ze op hun eigen manier beïnvloed door hun geschiedenis.

Ik heb gelachen om de jonge Yazz, die een rangorde van al haar peetvaders heeft gemaakt, afhankelijk van de hoogte van het bedrag dat ze jaarlijks op haar verjaardag van hen ontvangt; ik heb getreurd om LaTisha, die op de ene na de andere man verliefd wordt en telkens weer zwanger alleen achterblijft; en ik was ontroerd door Hattie, die haar non-binaire kleinkind accepteert, ook al begrijpt ze daar niks van.

Hoewel Evaristo geen hoofdletters en punten gebruikt (dat went snel), schrijft ze zeer toegankelijk. Met humor en vol energie brengt Evaristo telkens weer nieuwe personages tot leven; alle twaalf vrouwen hebben een eigen persoonlijkheid en een bijzondere gelaagdheid. Een terechte Booker Prize winnaar!

Inschrijven nieuwsbrief