Banner trap

Nieuwsarchief

Eerdere favorieten

vertaald uit het Deens door Lammie Post-Oostenbrink

Anna over de Kopenhagentrilogie

In Denemarken geldt Tove Ditlevsen (1917-1976) als een van de grootste schrijvers van de afgelopen eeuw, maar daarbuiten is ze nauwelijks bekend. Gelukkig is er nu de vertaling van haar autobiografische Kopenhagentrilogie (vertaald door Lammie Post-Oostenbrink). In drie delen vertelt Ditlevsen over haar leven in Kopenhagen, vanaf haar vroege jeugd in een arbeiderswijk, tot ongeveer haar vijfendertigste, wanneer ze na een paar gestrande huwelijken met een verslaving worstelt.

In Kindertijd leren we Tove kennen als een echt buitenbeentje, dat al vroeg droomt van een leven als dichter. Ondanks de uitzichtloze armoede waarin Ditlevsen opgroeit, is haar beschrijving van deze jaren verrassend licht van toon.

’s Ochtends was er hoop. Die zat als een vluchtige lichtglimp op mijn moeders zwarte, gladde haar, dat ik nooit durfde aan te raken, en lag op mijn tong samen met de suiker op de lauwwarme havermout.

In Jeugd ontmoet Tove na een lange reeks onbevredigende baantjes een oudere man, die werkzaam is in het Kopenhaagse literaire circuit. Hij erkent haar talent en biedt haar zo een uitweg uit het arbeidersbestaan. In Afhankelijkheid is ze met deze man getrouwd, en is haar eerste dichtbundel verschenen. Toch is Tove niet gelukkig; mannen en pijnstillers zijn haar medicijn.

Waar de eerste twee delen een vermakelijk beeld geven van een pubermeisje dat vol jeugdige onbezonnenheid de wereld beziet, altijd met een licht dramatische, melancholische ondertoon, is het derde deel een rauw, sec en eerlijk verslag van haar niet aflatende strijd om maar niet afhankelijk te hoeven zijn.

vertaald uit het Duits door Marion Hardoar

Herman over Koffie en sigaretten

In Koffie en sigaretten deelt Von Schirach met zijn lezers herinneringen, vaak met als kern het persoonlijke verhaal van een gespreksgenoot en altijd met observaties die je aan het denken zetten.

175 bladzijden, 48 verhalen – het kortste een halve pagina, het langste tien pagina’s.

‘We zoeken boeken die voor ons geschreven zijn.’ Zo is het. Zelden las ik een boek met verhalen over mensen zo snel en zo moeiteloos geconcentreerd uit. Koffie en Sigaretten is niet alleen voor veel Duitsers (maanden op de bestsellerlijst) geschreven, maar ook voor mij. Waarom? Dat kan ik u niet vertellen.

Dan zou ik mezelf moeten kennen en dat is volgens Von Schirach, het orakel van Delphi ten spijt, niet mogelijk. ‘We hebben kennis van de dood en dat is wel alles, dat is ons hele verhaal.’

Ik geef u nog twee citaten en als u daar net als ik met of zonder zelfkennis levenslust uithaalt, dan is het boek misschien ook voor u geschreven.

Von Schirach zegt het anders dan Rutger Kopland (“Het verlangen naar een sigaret …”) in een verhaal over roken en Helmut Schmidt: ‘Een echte speler moet verliezen om het spel te verdragen en het roken zou hem geen plezier gedaan hebben als het niet zo ongelofelijk ongezond was geweest. Elke sigaret is een “memento mori.”’

De stoïcijnen komen ook hier even voorbij, in een verhaal over een dode vriend. Een mooi jongetje, vier jaar oud, blonde krullen heeft zijn knuffelgiraf in de kist van zijn vader gelegd zodat zijn vader daar niet zo alleen is. ‘Met Epictetus’ regels kun je leven als er maar niets gebeurt.’

Ine over De tuinen van Buitenzorg

Ik had ook heel goed zonder kinderen kunnen leven. Je wordt toch iemand anders met kinderen (…), je wordt moeder, en al is iedereen moeder op een andere manier, alle moeders lijken op elkaar.

In De tuinen van Buitenzorg reconstrueert Jan Brokken het leven van zijn ouders Olga en Han, voordat ze hem, naoorlogs nakomertje, kregen. Gebaseerd op brieven van zijn moeder, foto’s, zijn eigen herinneringen, veld- en studiewerk schetst hij hun verblijf in Indië ˗ twaalf jaren van ongekend geluk, intense schoonheid, intellectuele uitdaging en bittere oorlogsellende.

Olga is het stralende middelpunt van dit fijngevoelige portret. Ze verdiept zich in de lokale talen, studeert, schrijft, musiceert, en geeft naailes aan Makassaarse vrouwen. Van haar erfde Jan Brokken onmiskenbaar zijn prachtige pen. ‘Buitenzorg… Als ik die naam hoor, voel ik me meteen weer gelukkig worden. Daar begon alles voor ons. Het ruisen van de palmen, een geluid dat aan harken doet denken, geduldig bladeren harken.’

De vrouw die Indië het mooiste land ter wereld noemde, keerde in 1947 met man en twee zoontjes terug naar Nederland. Ze was niet meer dezelfde toen ze daar een keurige domineesvrouw en Jan Brokkens moeder werd. ‘Nergens zoveel geleden, nergens zo intens geleefd.’

Pijnlijk en prachtig, voor mij een van de hoogtepunten in het oeuvre van Jan Brokken.

Monica over De boom met de bittere bladeren

Kort geleden was ik in Rwanda en niet lang daarna verscheen het jeugdboek De boom met de bittere bladeren van Ruth Erica, over de nasleep van de burgeroorlog tussen de Hutu’s en de Tutsi’s (1994). Ik was meteen nieuwsgierig.

Erica vertelt over de gevolgen van de Rwandese genocide vanuit de ogen van de zeventienjarige Maridadi, die op haar vierde haar moeder verloor en erachter probeert te komen wat er gebeurd is. Niemand durft haar iets te vertellen, iedereen die ze spreekt zwijgt angstvallig.

Gelukkig ontmoet Maridadi de Nederlandse antropologiestudente Puck, die onderzoek doet in Rwanda. Door Pucks openheid en assertiviteit komt Maridadi’s zoektocht naar haar familie in een stroomversnelling.

Als lezer word je meegenomen in Maridadi’s geschiedenis, te midden van een kloof tussen twee bevolkingsgroepen. Het boek gaat over wij-zij-denken, over verdraagzaamheid, over ergens bij willen horen of je er juist tegen af willen zetten, over afkeer en haat, over liefde en vergeving. De boom met de bittere bladeren is een aangrijpend verhaal over de Rwandese genocide, een stuk geschiedenis waar we in Europa maar weinig van afweten, maar met, helaas, thema’s van alle tijden en culturen.

Ruth Erica maakt deze beladen geschiedenis op bijzonder knappe wijze bespreekbaar. Het is verrijkend voor jong en oud, en uitermate geschikt voor kinderen van 13 jaar en ouder.

natuur 195

Lena over De ontdekking van de natuur

Ik heb zelf al aardig wat natuurboeken, maar De ontdekking van de natuur van Hans Mulder is absoluut een aanwinst. Mulder is historicus en conservator van de natuurhistorische collectie van het Allard Pierson. In twintig hoofdstukken vertelt hij over verschillende ontdekkingsreizigers en natuurwetenschappers die tussen 1500 en 1900 een belangrijk steentje hebben bijgedragen aan de manier waarop wij nu naar de natuur kijken. Alleen voor het oog is dit boek al een groot plezier; het zit boordevol prachtige illustraties van hondenrassen, vogelbekdieren en insecten tot zevenhoofdige draken en basilisken, allemaal afkomstig uit de Allard Pierson collectie.

Ook de tekst is meer dan de moeite waard; het laat ons niet alleen zien hoe we aan onze huidige visie en kennis van de natuur zijn gekomen, maar dat het goed is om onze nieuwsgierigheid te volgen in plaats van ervan uit te gaan dat wat we denken te weten altijd de waarheid is. Hans Mulder neemt ons mee op deze reis door de wetenschap en maakt ons mede-ontdekker van de natuur.

Welmoet over Naar omstandigheden nogal slecht

Targets, deadlines, mails, whatsappberichten – dagelijks worden mensen opgejaagd met dwingende eisen die ze elkaar stellen. Geen wonder dat het aantal klachten en diagnoses op het gebied van depressie en burn-out een enorme groei kent de laatste jaren.

Inger Boxsem heeft, aan de hand van haar eigen ervaringen, een zeer verhelderend boek geschreven over de maatschappelijke oorzaken van het groeiende aantal diagnoses, het verloop van de ziekte, de verschillen tussen burn-out en depressie, de behandelwijze en vooral ook de interactie tussen gezin en sociale omgeving van de getroffene. Waar ze de maatschappij scherp veroordeelt in haar onbarmhartige eis tot meer, meer, meer, spreekt ze liefdevol over de rol van haar gezin, familie en vrienden als medeveroorzaker van haar ziekte.

Er is de laatste jaren veel geschreven over burn-out en depressie. In de media vertellen beroemdheden over hun problemen en genezing zonder echt te laten zien wat het inhoudt om depressief te zijn. Inger laat dat in dit boek wel zien, de moeizame weg die lang niet altijd naar beterschap leidt, die slachtoffers eist en verlies kent. Zij stoelt haar kennis op literatuur en wetenschap en zorgt daarmee voor een degelijk fundament.

Een boek voor mensen die getroffen zijn door depressie en/of burn-out maar zeker ook voor iedereen die zich wel eens gestresst voelt; eigenlijk dus voor iedereen.

vertaald uit het Frans door Marnik Sarkar

Tatjana over Een Duitse fantasie

Een Duitse fantasie, het nieuwe boek van Philippe Claudel stelde me voor een dilemma. Vertel ik de inhoud dan hoeft u het niet meer te lezen. Maar wat kan ik dan wel zeggen?

Intrigerend is het woord dat opkomt om het boek te typeren en het is aan de lezer om dat zelf te ontdekken. Een Duitse fantasie is op het eerste oog een verzameling losse verhalen. Maar wie dieper kijkt ziet een verbondenheid; de personages zijn allemaal (in meer of mindere mate) geraakt door de oorlog. Bovendien laat Claudel telkens een naam terugkeren, waarbij de lezer zich kan afvragen of het steeds om dezelfde persoon gaat. Ieder verhaal heeft een eigen stijl, die past bij het thema of het personage.

Zo behandelt Claudel op ingenieuze wijze grote onderwerpen als schuld, waarheid en de rol die mensen (denken te) spelen in de geschiedenis. Zoals hij het zelf prachtig verwoordt in het nawoord: ‘Voor mij is Duitsland altijd een spiegel geweest, waarin ik me niet zie zoals ik ben, maar zoals ik zou kunnen zijn.’

Jacinthe over Iedereen moet ergens zijn

Het eerste gedicht uit Iedereen moet ergens zijn, de nieuwe bundel van Tjitske Jansen, leest als een beginselverklaring: ‘Volgens een automatisch systeem voegt u tekst toe die lijkt op kletsen.’ Deze melding krijgt Tjitske, zo lezen we, als ze in 2014 nietszeggende biografische feiten op haar Wikipedia-pagina vervangt door meer tot de verbeelding sprekende voorvallen en voorkeuren. Een vergelijkbaar voorval beschrijft ze in haar bundel Voor altijd voor het laatst; een uitgever laat weten dat ze talent heeft, maar beoordeelt haar manuscript als ‘los zand.’ Het antwoord van Tjitske: ‘Wat is er mis met los zand?’

Jansen houdt nu eenmaal van het vertellen in flarden. Ze laat veel weg, maar werkt haar observaties tegelijkertijd heel precies uit, waarbij ze de nadruk legt op al die momenten die vaak onderbelicht blijven. Of ze nu een beeld schetst van haar diepe verlangen naar levenslust en frivoliteit in het gespleten Barneveld van haar jeugd, of de grote tweestrijd die in haar woedt wanneer ze als kind na een val van de trap een bonbon krijgt (stoppen met huilen of niet), meer dan een paar zinnen heeft ze niet nodig. Juist dat maakt haar werk zo indringend. Met ieder gedicht vormen zich nieuwe duintjes in je hoofd die niet snel meer verwaaien.

Herman over Erasmus Dwarsdenker

Als er van de op een na beroemdste Nederlander aller tijden een nieuwe biografie verschijnt heb je als part-time boekhandelaar geen keus: lezen zul je!

Ruim zevenhonderd pagina’s vond de schrijfster passend voor Erasmus maar ik struikelde al bij de inleiding, want die ging over een houten scheepsbeeld van Erasmus dat op de wereldzeeën avonturen beleefde. Dat doet een beeld natuurlijk niet. Gelukkig kon ik even later niet anders dan gulzig doorlezen.

Sandra Langereis zet Erasmus niet neer als belangrijkste humanist, maar als mens met zijn persoonlijk verhaal in de grote geschiedenis. Geldzorgen en diarree, professorengekuip, pauselijke machinaties, hofintriges, onrust – politiek en religieus -, goudstukken en paarden, en nog heel veel meer.

Gulzig lezer werd ik vooral omdat Sandra Langereis mij meenam door de held – die geen held is – bijna letterlijk op de voet te volgen. Zij deed dat aan de hand van de uitgebreide correspondentie van Erasmus, diens al dan niet met toestemming uitgegeven werken en verder aan de hand van heel veel andere boeken. Dat alles bracht fijne feitjes en treffende citaten van de man die zo verliefd was op taal en taalstudie dat hij blij was met het celibaat.

Ook de schrijfster geniet zichtbaar van taal als ze schrijft ‘bisschoppelijke kruiwagens’, ‘kurkdroge non-sequiturs’ of ‘Het bier was hier bocht en de wijn al even waardeloos’. De biografie wemelt vast van de verborgen (half-)citaten. Hoogste tijd dus om de verzamelde correspondentie te gaan lezen (3141 brieven), maar daar zal het in dit leven wel niet van komen. Eerst maar eens de inleiding herlezen om te zien wat de avonturen van het houten beeld willen zeggen over Erasmus, zijn tijd, of over ons.

vertaald uit het Engels door Lette Vos

Anna over Meisje, vrouw, anders

In 2019 ontving Bernadine Evaristo de Booker Prize voor haar roman Meisje, vrouw, anders, een belangrijk boek over vrouw zijn en over zwart zijn. Het betekende, na vijfentwintig jaar schrijverschap, eindelijk haar doorbraak naar het grote publiek. In Meisje, vrouw, anders vertelt ze over twaalf zwarte vrouwen, jong, oud, lesbisch, hetero, homofoob, feministisch, conservatief, uit verschillende klassen en met verschillende achtergronden, die allemaal op de een of andere manier met elkaar verbonden zijn. We maken onder andere kennis met een toneelschrijfster, een schoonmaakster en haar dochter die in de zakenwereld werkt, en een oud-boerin van in de negentig. Allemaal worden ze op hun eigen manier beïnvloed door hun geschiedenis.

Ik heb gelachen om de jonge Yazz, die een rangorde van al haar peetvaders heeft gemaakt, afhankelijk van de hoogte van het bedrag dat ze jaarlijks op haar verjaardag van hen ontvangt; ik heb getreurd om LaTisha, die op de ene na de andere man verliefd wordt en telkens weer zwanger alleen achterblijft; en ik was ontroerd door Hattie, die haar non-binaire kleinkind accepteert, ook al begrijpt ze daar niks van.

Hoewel Evaristo geen hoofdletters en punten gebruikt (dat went snel), schrijft ze zeer toegankelijk. Met humor en vol energie brengt Evaristo telkens weer nieuwe personages tot leven; alle twaalf vrouwen hebben een eigen persoonlijkheid en een bijzondere gelaagdheid. Een terechte Booker Prize winnaar!

vertaald uit het Engels door Mariëlle Steinpatz

Anna over Eén. Pan, plaat, planeet

Gemiddeld wordt er uit ieder kookboek twee keer gekookt. Met Eén. Pan, plaat, planeet van de Britse Anna Jones had ik dat gemiddelde al na een week overschreden. Een mooi vormgegeven boek met recepten die er heerlijk uitzien, uit ingrediënten bestaan die je in iedere supermarkt kunt vinden (geen Ottolenghi-praktijken dus, met eindeloze zoektochten naar Urfa-chilivlokken of geelwortelpoeder) en in een oogwenk op tafel staan.

Alle gerechten zijn vegetarisch, met volop veganistische suggesties, tips om verspilling tegen te gaan (vries eens overgebleven chilipepers of stukken gember in), en aandacht voor duurzaamheid.

Ik maakte tot nu toe onder andere een ovenschotel met citroen, asperges en parelcouscous, shakshuka met tuinbonen en groene kruiden, sobanoedels met limoen en dubbele gember, en blader regelmatig watertandend door het boek, op zoek naar nieuwe inspiratie. Het zijn recepten die echt iedereen kan maken, en waar je van blijft dooreten.

vertaald uit het Russisch door Hans Boland

Bram over Misdaad en straf

Ondanks of misschien wel dankzij mijn jonge leeftijd ben ik benieuwd naar de wereldliteratuur: Melville, Dante, Ovidius, te veel om op te noemen. En nu Dostojevski. Na De gebroeders Karamazov las ik onlangs de klassieker Misdaad en straf, in een nieuwe vertaling van Hans Boland. Een verhaal over hoe de jonge student Raskolnikov (raskol= scheur, raskolniki= scheurmaker) een moord pleegt en hoe hij hierna met de psychische gevolgen ervan moet leven.

Wat opvalt is hoe goed Dostojevski zijn taalgebruik weet aan te passen aan de persoon die aan het woord is: een wat elitaire rechercheur praat nou eenmaal ‘esoterisch’ (= kennis alleen voor ingewijden), dat is toch een beetje ‘comme il faut’ (= zoals het hoort). Vertaler Hans Boland neemt dit fantastisch over, met als gevolg dat ik een grote hoeveelheid nieuwe woorden heb geleerd.

Dat opvallende taalgebruik maakt het boek extra indrukwekkend en zorgde ervoor dat ik mij zo goed met de personages kon identificeren: ik leefde mee met de wat arrogante hoofdpersoon die (natuurlijk) totaal niet op mijzelf leek. Ik kroop in de huid van de misdadiger en begreep elke zet die hij deed. Het deed mij zo nu en dan samen met de hoofdpersoon uit een stoel opspringen om luid te schreeuwen: ‘Wat heeft dit te betekenen?’ Hoewel Raskolnikov het dan met (on)gegronde paranoïa roept en ik met een (on)gewilde nieuwsgierigheid.

vertaald uit het Engels door Inge Kok

Ine over Twee weken weg

Zoals een generaal zich opmaakt voor een veldtocht, zo stippelt meneer Stevens, kantoorbediende en vader van drie kinderen, zijn vakantie uit. Tot in de allerkleinste details, je krijgt er bijna rillingen van. Hij noemt zijn dichtbeschreven lijsten ‘marsorders’. Elk jaar gaat alles precies eender: de voorbereidingen, de reis, het verblijf in badplaats Bognor. Maar het wonderlijke is dat meneer Stevens en zijn familie de lezer nergens irriteren, wel af en toe verwonderen en vooral ontroeren.

R.C. Sherriff, een herontdekte Engelse schrijver, publiceerde in 1931 The Fortnight in September (Twee weken weg in de frisse vertaling van Inge Kok), een roman waarin niets bijzonders gebeurt, maar die geen seconde verveelt. De personages zijn levensecht en de schrijver zet ze niet als zielige figuren neer, maar als sympathieke mensen, die in hun bijna naïeve opgewektheid toch heel herkenbaar zijn. Sherriff brengt subtiel kleine rimpelingen en barstjes aan en strooit geraffineerd met sprekende details. De scherpe teennagel van meneer Stevens die een versleten laken scheurt, de angst van mevrouw Stevens voor de zee, ‘dat grote, gladde slijmerige oppervlak’, de raad die dochter Mary van een vakantievriendin krijgt: ‘Kijk uit voor mannen die alleen op pad zijn.’

Het is niet voor niets dat ook Kazuo Ishiguro en Mensje van Keulen grote bewonderaars van dit heerlijke boek zijn.

Jacinthe over De hemel van Heivisj

De hemel van Heivisj is een boek waarin alles klopt. Het indrukwekkende Hele verhalen voor een halve soldaat, dat onlangs bekroond werd met de Woutertje Pieterse Prijs, maakte mij nieuwsgierig naar de (jeugd)roman waarvoor Benny Lindelauf in 2011 ook al deze prijs kreeg. Een ouwetje dus, maar voor wie het nog niet kent: lees het! Ook als je al volwassen bent.

De inval van de Pruuse (Duitsers) maakt een einde aan de kindertijd van de zusjes Boon die een eind buiten de stad in een huis wonen dat ‘bokkig met de rug naar de wereld’ staat. Toch is dit boek meer dan het zoveelste oorlogsverhaal.

Lindelauf baseerde zijn verhaal op de jeugdherinneringen van zijn Limburgse oma. In een prachtige zintuigelijke taal bouwt hij een haast magische wereld met sprookjesachtige landschappen en een bonte stoet aan personages: de onverwoestbare oma Mei met haar tollende ‘uilenoog’, de welgestelde Sigarenkoning, het onberekenbare nichtje van de Pruusin, en natuurlijk Heivisj, het paard dat na een leven lang in de mijnen bang voor het donker is. Via razendknap in elkaar grijpende verhaallijnen, waarin zowel paard als nichtje een cruciale rol spelen, vertelt Lindelauf een overweldigende familiegeschiedenis over afkomst, verzet en verraad.

vertaald uit het Duits door Gerda Baardman

Lena over Hard land

Missouri, 1985. Hard Land, de nieuwe grote roman van de Duitse schrijver Benedict Wells gaat over de vijftienjarige Sam, een buitenbeentje. Zijn moeder is ziek en met zijn werkloze vader kan hij maar moeilijk praten. Wanneer Sam in de zomervakantie gaat werken bij een oude bioscoop breken gelukkigere tijden aan. Hij maakt vrienden, hoort eindelijk ergens bij en wordt voor het eerst verliefd.

De manier waarop Sam opgroeit, is niet te vergelijken met mijn eigen jeugd. Maar na het lezen van dit boek lijkt het haast of sommige van de beschreven momenten onderdeel van mijn eigen herinneringen zijn geworden. Voor mij is deze tijd nog maar pas geleden en zo merkte ik dat Benedict Wells de essentie en onzekerheden van het volwassen worden aan de hand van Sams verhaal heel goed op papier heeft gezet. Terwijl Sam zichzelf ontwikkelt en zijn eigen identiteit probeert te vinden leren wij hem als lezer ook steeds beter kennen.

Hoe verder ik in het boek kwam, hoe meer het me beviel. Dit verhaal liet me weer eens inzien dat ietwat eigenaardige mensen, als je even bij ze stilstaat, toch echt ‘liebenswert’ kunnen zijn.

Ik heb zelf dit boek in de originele taal gelezen. De Nederlandse vertaling verscheen onder dezelfde titel.

vertaald uit het Engels door Hans Kloos

Tatjana over Ik ben een eiland

Ik ben altijd geïntrigeerd door mensen die het roer radicaal om durven te gooien met de daarbij behorende ontberingen, in de hoop dat dit hen uiteindelijk iets zal opleveren. In Ik ben een eiland beschrijft Tamsin Calidas wat zo’n besluit daadwerkelijk inhoudt, wanneer zij en haar man Rab hun drukke Londense bestaan achter zich laten om zich op een van de eilanden van de Schotse Hebriden te vestigen.

‘Als ik uitstap en me uitrek, houd ik mijn adem in. Over de baai vliegen de ganzen regelrecht het centrum van dat broze licht in, een leistenen vlaag miezer als een gordijn waar de horizon de zee in valt. Zodra ik de ganzen hoor roepen, hun stemmen die lucht openbreken, weet ik dat ik weer moet ademhalen. De lucht in Schotland verschilt van de schrale lucht in Londen. Ik adem mijn longen vol met die schone, zoete, frisse, natte bries.’

Op zoek naar rust, stilte en een leven dicht bij de natuur, ontdekt ze dat het moed en volharding kost om zo’n leven te leiden. Door de enorme teleurstellingen in haar leven, de teisterende elementen, en met name de traditionele patriarchale cultuur van het eiland, voelt ze zich steeds meer op zichzelf aangewezen. Ze zoekt troost in een innige vriendschap en houvast in de seizoenen. In poëtisch proza beschrijft ze haar tegenslagen, maar ook die prachtige wilde natuur, die ervoor zorgt dat ze haar plek op het eiland weet te vinden.

Anna over het Verzameld werk

Tot voor kort had ik nog nooit iets van Carl Friedman gelezen. Ik kende haar als auteur van twee romans die in mijn middelbareschooltijd veel gelezen werden, vooral vanwege hun geringe omvang. Bij het verschijnen van haar Verzameld werk las ik dan eindelijk die twee beroemde novelles. Het ontroerende Twee koffers vol, over de joodse Chaja die als oppas in Antwerpen werkt, en het aangrijpende, rauwe Tralievader, over een getraumatiseerde vader die in een concentratiekamp heeft gezeten en die nu ‘kamp heeft’.

Naast deze twee novelles, schreef Friedman nog veel meer wat de moeite waard is: korte verhalen, tijdloze columns over haar (schoon)familie, en de (helaas onvoltooide) roman Zwemmers in de nacht, over vertaalster Emma die verliefd wordt op de Russische charmeur Joeri, waaruit blijkt dat Friedman uitstekend in staat was om over meer te schrijven dan alleen het jodendom.

Friedmans stijl is sober, ze formuleert scherp en zorgvuldig, en weet zelfs de meest tragische momenten te verlichten door haar sublieme gevoel voor onderkoelde humor.

Bram over In mijn mand

De bundel In mijn mand van Lieke Marsman was mijn eerste kennismaking met onze Dichter des Vaderlands. Ik was meteen zo enthousiast dat ik ook twee eerdere bundels van haar las: Man met hoed, verzamelde gedichten uit 2005-2017 en De volgende scan duurt vijf minuten, gedichten en essays die ze schreef over en na de periode waarin ze de diagnose kanker kreeg.

Haar ervaring met een onzeker en naderend einde kruipt ook in haar nieuwste bundel en geeft gewicht aan de woorden, ook wanneer de gedichten niet over de dood gaan.
Hoewel je de woede en de angst soms door het papier heen hoort schreeuwen, is de bundel niet zwaar of droevig. Lieke Marsman weet vaak met één humoristische of zoete zin het gedicht weer om te buigen naar iets lichts.

In het titelgedicht ‘In mijn mand’, mijn favoriet, komen alle emoties en gedachtes op een prachtige manier samen.

Deze bundel nodigt uit om opnieuw en opnieuw te lezen:

eerst als tragedie en dan als klucht//

En daarna als elegie//

 

vertaald uit het Afrikaans door Rob van der Veer

Jacinthe over De belofte

Met De belofte schreef de Zuid-Afrikaan Damon Galgut – in Nederland nog relatief onbekend – alweer zijn achtste roman. Vanaf de allereerste pagina’s van deze indringende geschiedenis maakt Galgut ons deelgenoot van de geheimen en het gekissebis tussen de gezinsleden van de familie Swart, ‘een stelletje doodnormale witte Zuid-Afrikanen’.

Op haar sterfbed laat Amor Swarts moeder haar man plechtig beloven dat hun zwarte hulp Salomé als dank voor jarenlange trouwe dienst haar eigen huis krijgt. De vraag of deze belofte zal worden ingelost, zweeft het hele boek als een vloek boven de pagina’s.

Razendknap schakelend tussen verschillende perspectieven laat Galgut zien hoe de positie van de Afrikaner familie vanaf de afschaffing van de apartheid in 1986 steeds meer haarscheurtjes begint te vertonen. Steeds weer wisselt hij tussen een alwetende verteller en verschillende personages, en kiest een enkele keer zelfs voor de invalshoek van een toevallig passerende dakloze of jakhals. Ook de lezer krijgt zo nu en dan een veeg uit de pan: ‘[…] en als Salomés geboortedorp nog niet eerder is genoemd komt dat omdat je er niet naar hebt gevraagd, het interesseerde je niet.’ Toch voelt het verhaal nergens gekunsteld en blijft het door Galguts scherpe ironie lichtvoetig. Keer op keer probeert de stille, bescheiden Amor haar familieleden aan hun belofte te herinneren, maar eenmaal aan zet lijkt zij door de tijd te zijn ingehaald.

Herman over De laatste heer

In De laatste heer – Hoe de bevoorrechte klasse in Nederland plaatsmaakte voor de gewone man beschrijft Astrid Schutte  de geschiedenis van twee mannen, haar vader, de arme pachterszoon Jan Schutte, en Werner Helmich,  niemand minder dan de heer van Baak. Maar zoals de titel al verklapt: het zou de laatste heer van Baak zijn. En de arme tuinderszoon? Die werd bankdirecteur. Ze beschrijft die geschiedenissen met een fijn oog voor details, en telkens tegen de achtergrond van de veranderende maatschappij als geheel.

De veranderingen zijn soms relatief: de grootvader van Werner Helmich wordt in Baak ingehaald met een escorte van 90 of misschien wel 150 ruiters, terwijl Werner het moet doen met een escorte van 10 (twee herauten op schimmels en 8 ruiters op Gelders vossen). De veranderingen zijn vaker fundamenteel: de groei van de kredieten van de (boerenleen-)banken, de ontkerkelijking, het definitieve einde van de onderhorigheid van pachters, schaalvergroting en, hoofdmoot van het boek, natuurlijk de nieuwe mogelijkheid voor de een om hogerop te komen en de onmogelijkheid voor de ander om te blijven teren op oud familiebezit.

Voor mij zat het leesplezier vooral in de lokale geschiedenis en in de persoonlijke verhalen. Van de lokale geschiedenis komt onder meer het tuindersdorp de Hoven voorbij, de tramlijn Zutphen-Emmerik, de plaatselijke bank en de pachtcontracten.

vertaald uit het Engels door Paul van der Lecq

Tatjana over Het proces van Sören Qvist

Het proces van Sören Qvist is de tweede roman van Janet Lewis van een drieluik waarin ze beruchte rechtszaken uit de zeventiende eeuw beschrijft. Van het eerste deel De vrouw van Martin Guerre was ik al onder indruk, en ook deze keer maakt Lewis de verwachtingen waar.

Het verhaal speelt zich af in Jutland, Denemarken, en begint met de komst van een bedelaar bij de parochie in het dorp Aalsö. Hij zegt dat hij Niels Bruus is, de knecht die verondersteld werd eenentwintig jaar geleden na een twist met predikant Sören Qvist te zijn vermoord. Hoewel de predikant volhoudt dat hij het niet heeft gedaan, keert alle bewijslast zich tegen hem.

Naast dat Lewis, door haar prachtige (vaak natuur-) beschrijvingen, iedere gebeurtenis levendig weet neer te zetten, zijn het de dilemma’s die ze schetst die haar verhalen zo indrukwekkend maken. In De vrouw van Martin Guerre werd de vraag gesteld of de waarheid verkozen moet worden boven de liefde. In dit boek geeft ze een beschouwing over hoe geloof zwaarder kan wegen dan de waarheid.

U snapt dat ik reikhalzend uitkijk naar haar derde roman.

brandon 197

Tess over The Final Empire

Als eerste tip voor de winkel leek het me passend om iets aan te raden voor de beginnende fantasylezer. Er zijn heel veel schrijvers die hiervoor in aanmerking komen, maar voor mij is Brandon Sandersons The Final Empire, het eerste boek in de Mistborn-trilogie, de ultieme kennismaking.

Waar veel mensen tegenaan lopen als ze bijvoorbeeld met Tolkien beginnen, is de bloemrijke schrijfstijl. Die van Sanderson, daarentegen, is toegankelijk en recht-toe-recht-aan. Bovendien is de magie in zijn wereld simpel en intrigerend.

En, niet onbelangrijk: het boek heeft een aantrekkelijk plot, ook voor mensen die niet zo van klassieke queeste-fantasy houden. Het vertelt het verhaal van Vin, een wees die leeft op de straten van Luthadel. Luthadel is de vervallen hoofdstad van een wereld waarin de ‘bad guy’ heeft gewonnen. Vin wordt opgepikt door Kelsier en zijn bende om de Lord Ruler (de schurk in kwestie) van zijn troon te stoten. Gaandeweg komt ze erachter wie ze is en wat ze kan.

Deze brute fantasyroman is al met al een mooie introductie tot wat fantasy kan zijn.

Inschrijven nieuwsbrief