Slider

Nieuwsarchief

Eerdere favorieten

Oliver over Lichtjaren

Een foto uit 1931. Tegen een achtergrond van gobelins, verguld meubilair en spiegels wijst de Franse minister van Buitenlandse Zaken Aristide Briand een groepje andere heren in rok op de aanwezigheid van de fotograaf, en daarmee op die van ons. In de mengeling van geamuseerde verrassing en verontruste ergernis op zijn gezicht zien we onze eigen zorgen over privacy weerspiegeld: fotografie als inbreuk op ons privéleven.

Lichtjaren, het boek van Hans Rooseboom waarin de beschreven plaat figureert, is geen gewone geschiedenis van de fotografie. In plaats van een chronologische beschrijving van namen en data te geven, heeft de conservator fotografie van het Rijksmuseum ervoor gekozen zijn onderwerp thematisch te verkennen. Het resultaat is een prachtig geïllustreerd, maar vooral ook prikkelend werk over de verschillende vormen die de fotografie sinds haar obscure geboorte in 1839 heeft aangenomen: die van vastlegging van de waarheid en die van manipulatie van die werkelijkheid, die van nieuwe en verbeterde vorm van de schilderkunst en die van verwerpelijke pornografie, die van unieke afdruk en die van het plaatje op ieders telefoon.

vertaald uit het Duits door Annemarie Vlaming

Tatjana over Nieuwjaar

In eerste instantie lijkt Nieuwjaar, de nieuwste roman van Juli Zeh, het relaas van een modern geëmancipeerd gezin, waarin nu eens een keer de man worstelt met de balans tussen gezin, werk en tijd voor zichzelf. Maar gaandeweg ontwikkelt het verhaal zich toch anders. In het eerste deel maken we kennis met hoofdpersoon Henning. Hij brengt samen met zijn vrouw en twee jonge kinderen de kerstvakantie door op Lanzarote. Op nieuwjaarsdag besluit hij naar het bergdorpje Femés te fietsen, tegen de wind in en zonder water en proviand.

Tijdens deze zware klim neemt Henning zijn ogenschijnlijk perfecte leven onder de loep. Fijnzinnig vertelt Zeh Hennings gevoel, dat veel ouders zullen herkennen. Hoe hij aan de ene kant zielsveel van zijn vrouw en kinderen houdt, maar aan de andere kant de beklemming voelt van het gezinsleven. En zich daar dan weer schuldig over voelt, want hij heeft het toch goed voor elkaar! Ook heeft Henning al een tijd last van onverklaarbare paniekaanvallen die hij ‘HET’ noemt.

Wanneer hij volledig uitgeput in het dorpje aankomt dringt er zich een herinnering aan hem op, dat hij hier al eens is geweest. Wat volgt is een sublieme beschrijving van de gedachten van de kleine Henning over een gebeurtenis daarboven op die berg.

vertaald uit het Engels door Jenny de Jonge

Jacinthe over De ontdekkingsreiziger

In haar eind vorig jaar verschenen Why you should read children’s books, even though you are so old and wise schetst de Britse auteur Katherine Rundell waar een goed kinderboek aan moet voldoen: een juiste mix van hoop, hunkering, verwondering en spanning. Verwacht bij haar geen puberleed in een Vinex-wijk. ‘Je moet je altijd kleden alsof je naar de jungle gaat. Je weet nooit wanneer je op een avontuur stuit,’ staat in De ontdekkingsreiziger, waarmee Rundell zowel de Costa Book Award als de Waterstones Children’s Book Prize won. En dat blijkt: als het vliegtuigje met Fred en drie andere kinderen boven het Braziliaanse regenwoud neerstort, besluiten zij niet hulpeloos af te wachten, maar op een vlot de rivier af te zakken.

‘Mensen zijn op een vlot de Atlantische Oceaan overgestoken’, zei Fred. ‘Dat waren volwassenen.’ ‘Er staat nergens dat alleen volwassenen vlotten kunnen maken,’ zei Fred geïrriteerd. ‘Je hebt er geen vergunning voor nodig.’

Dat is het begin van een spannende expeditie vol ontberingen, waarbij en passant een heleboel nuttigs te leren valt: eet nooit insecten die zo groot zijn dat ze niet in je neus passen. Een fijn klassiek en avontuurlijk kinderboek (10-12 jaar).

Welmoet over Alles voor Vincent

Een meisje van gegoede huize, eind 19e eeuw, op zoek naar the inner most self vol zelfkritiek, zoekend naar houvast en zuiverheid. Het levenspad van dit keurige meisje naar de zelfbewuste doortastende vrouw die de naam van Vincent van Gogh in de markt heeft gezet, volgen we geboeid in dit kloeke werk van Hans Luijten, senior onderzoeker bij het Van Gogh Museum.

In 1889 trouwt Jo Bonger met Theo van Gogh maar al in 1991 sterft haar man, kort na het overlijden van zijn broer Vincent, en blijft zij in Parijs achter met haar zoontje. Ze erft een enorme collectie werken van Vincent en de brieven die de kunstenaar aan zijn broer Theo schreef. Terug in Nederland stelt ze zich ten doel de naam van Vincent en de waardering voor zijn kunstwerken te vestigen en de strijd die hij in zijn leven heeft gevoerd bekend te maken.

Het boek leidt ons door een leger kunsthandelaren, kunstenaars en Tachtigers die behulpzaam waren, maar soms ook enorm tegenwerkten bij de verspreiding van zijn werk. Jo’s onvermoeibare activiteiten: contacten leggen en onderhouden, schilderijen uitlenen en – verkopen, de uitgave van Vincent’s brieven bezorgen; alles om de waardering voor Vincent te vergroten uit naam van haar geliefde man Theo.

Het is haar verdienste geweest dat iedereen Vincent van Gogh kent en dat we weten hoe hij in het leven stond. Hans Luijten heeft een prachtig boek over haar leven, haar tijd, de kunstwereld en de kunsthandel, geschreven. Ik zal bij een volgend bezoek aan het Van Gogh Museum met andere ogen naar zijn werk kijken. Zonder haar waren de schilderijen er misschien niet meer geweest!

Herman over Uit het leven van een hond

Juist in zogenaamde kwaliteitsboekhandels hoor je nog wel eens lieden zeggen dat ze al tijden gestopt zijn met het lezen van Nederlandse boeken. Speciaal voor hen schreef Sander Kollaard Uit het leven van een hond, over Henk van Doorn, 56 jaar, eigenaar van hond Schurk, maar vooral een gewone man met een tomeloze levenslust.

Kollaard zit als schrijver zowel ín het hoofd van Henk van Doorn als daarbuiten waardoor je de man echt meemaakt. Hij schrijft verzorgd, zonder effectbejag en met een fijn ritme. Zo blijf je vanzelf doorlezen, ook al heeft het verhaal geen echte plot – Kollaard beschrijft 24 uur uit het leven van een man met een hond.

Bij alle gebeurtenissen van die 24 uur, ook als gewone man Henk zich ronduit schofterig gedraagt, voel je zijn levenslust. In dit Nederlandse boek krijgt die levenslust extra reliëf afgezet tegen hond Schurk, ooit ontembaar kwispelend, maar nu bijna aan zijn eind. Sander Kollaard schreef het heerlijk op: zeg maar ja tegen het leven!

Of, zoals Lodewijk Verduin het in De Groene zei: er is geen andere Nederlandse schrijver die het leven zo kan laten zinderen, schitteren en tintelen als Sander Kollaard.

vertaald uit het Duits door M. Verdaasdonk, Ingrid Wildschut en Jan Sietsma

Oliver over Ik voel me in de hele wereld thuis

‘Mens zijn is vóór alles de hoofdzaak. En dat betekent: vastberaden en helder en vrolijk zijn.’ Dat schreef de Poolse pacifist Rosa Luxemburg in 1917 vanuit de Berlijnse vrouwengevangenis aan de Barnimstrasse, waar ze als ‘landverrader’ was opgesloten.

Wie Luxemburgs brieven leest, maakt kennis met een ongelofelijk inspirerende vrouw. Steeds benadrukt ze het belang van lezen, verwonderen, en daarbij vooral proberen ‘een goed mens te zijn’, ondanks alle tegenslagen. Henriëtte Roland Holst, die haar in 1904 had ontmoet, kende haar als ‘een buitengewoon bekoorlijk wezen’, en vond haar brieven behoren ‘tot de mooiste van de wereldliteratuur’. Ik kan niet anders dan haar in dat laatste gelijk geven.

Rosa Luxemburg werd op 15 januari 1919, kort na haar vrijlating uit de gevangenis, vermoord om haar overtuigingen. In een brief aan een vriendin had ze jaren daarvoor geschreven dat er op haar grafsteen niets anders mocht komen te staan dan de roep van de koolmees: ‘tsitsi bé tsitsi bé’. ‘Dat is de eerste zachte beroering van de aankomende lente – ondanks sneeuw en vorst en eenzaamheid, geloven wij – de koolmees en ik – aan de komende lente.’

Met een nawoord van Joke J. Hermsen

vertaald uit het Amerikaans door Peter Bergsma

Jacinthe over Ten oosten van Eden

‘De wereld staat onder een reusachtige spanning, een spanning die op een breekpunt afstevent, en mensen zijn ongelukkig en verward. In zo’n tijd lijkt het me logisch en goed mezelf de volgende vragen te stellen: waar geloof ik in? Waar moet ik voor vechten en waar moet ik tegen vechten?’ Dit schreef Nobelprijswinnaar Steinbeck in zijn inmiddels klassieke roman Ten oosten van Eden uit 1952.

Begin dit jaar verscheen bij uitgeverij Van Oorschot een fonkelnieuwe vertaling van het boek door Peter Bergsma, die het een van zijn jeugdliefdes noemt. Wie de lotgevallen van de families Hamilton en Trask leest, kan onmogelijk zelf buiten schot blijven; de met meesterlijk psychologisch inzicht beschreven ‘misvormde ziel’ Cathy, de om de liefde van hun vader wedijverende broers Aron en Cal, en de goedhartige Sam dwingen de lezer steeds weer zijn eigen gedrag onder de loep te nemen.

‘Het komt mij voor dat als u of ik moet kiezen tussen twee denk- of handelwijzen, we moeten bedenken dat we sterfelijk zijn en moeten proberen zo te leven dat onze dood de wereld geen plezier zal doen.’ Het was de afgelopen weken goed toeven in de oude Salinasvallei, al was het maar vanwege Steinbecks prachtige beschrijvingen van zijn geboortegrond – een personage op zich.

Welmoet over Beethoven – een biografie

Beethoven: ik heb het altijd moeilijk gevonden zijn muziek te begrijpen. Wat kan ik dan beter doen dan lezen over zijn werk en persoon, en dan luisteren naar zijn muziek?

De (herziene) biografie van Jan Caeyers is een uitgelezen kans om je te verdiepen in het leven, de persoonlijke groei en de compositorische ontwikkeling van Ludwig van Beethoven.

Het boek biedt een levendig beeld van zijn jeugd, de moeilijke omstandigheden waarin hij opgroeide en de maatschappelijke context van zijn tijd. Konden zijn beroemde voorgangers Mozart en Haydn nog onder de financieel gerieflijke bescherming van het Oostenrijkse hof leven, Beethoven heeft zijn hele leven moeten knokken om rond te komen. In de biografie wordt uitvoerig de ontstaansgeschiedenis van Beethovens werken verweven met de vele kleurrijke anekdotes die over de grote componist de ronde doen. Hilarisch zijn de verhalen die Caeyers vertelt over de ingewikkelde en soms dubieuze contracten die Beethoven sloot met zijn opdrachtgevers en de wijze waarop hij opdrachten niet, of veel te laat, nakwam.

Beethoven blijkt niet alleen de man van de heftige geluidsuitbarstingen in de Grosse Fuge, maar ook de ongelukkige man die de Appassionata-sonate voor zijn onbereikbare geliefde Josephine schreef én de zachtaardige man van de gevoelige Cavatina uit het dertiende strijkkwartet. Hij was natuurlijk de dove, in zichzelf gekeerde en egocentrische man, maar ook de vrolijke drinker in de kroeg. Nooit eendimensionaal, maar altijd gelaagd en die complexiteit vind je terug in zijn muziek. Zoals pianist Hannes Minnaar in een interview zegt: ‘dodelijk vermoeiend om te spelen.’

Caeyers heeft me in zijn biografie geleerd: luister, volg je gevoel, laat het begrijpen maar achterwege. Als je je daaraan kunt overgeven, ga je houden van Beethoven en van zijn muziek.

zakboekje

Herman over Epictetus’ Zakboekje

Toepasselijker boek dan Over standvastigheid bij algemene rampspoed van de humanist Justus Lipsius uit 1584 is in deze tijden nauwelijks denkbaar. Al in de zestiende eeuw wees Lipsius erop dat reizen naar vreemde landen nergens goed voor is. De vertaling (van Piet Schrijvers) dateert uit 1983 en is helaas niet meer in druk.
Voor deze nieuwsbrief tip ik daarom het Zakboekje van Epictetus, vertaald door Hein L. van Dolen en Charles Hupperts. Deze Griekse ex-slaaf uit de Griekse oudheid legde in dit boek kort zijn filosofie van de positieve instelling uit. Het inspireerde bijvoorbeeld de christelijke stoïcijn Lipsius, maar ook nu nog vind je bruikbare overwegingen als:

‘Niet de dingen zelf maken de mensen van streek, maar hun denkbeelden erover.’
‘Het is een brevet van onvermogen dat iemand al zijn tijd besteed aan lichamelijke behoeften, bijvoorbeeld veel sporttraining, veel eten en drinken, graag en lang op het toilet zitten, en veel seks. Al deze dingen moet men terloops doen; de geest moet alle aandacht krijgen.’

En daarmee kunnen we in deze tijd weer even vooruit.

En als het Zakboekje naar meer smaakt, dan is er de nieuwe prachtuitgave van Epictetus’ werk door Athenaeum: Vrij en onkwetsbaar – verzameld werk. Vertaling: Gerard Boter en Rob Brouwer.

ikmoet

Ine over Ik moet u echt iets zeggen

Van Mensje van Keulen is de legendarische uitspraak: ‘Schrijven is kut, niet-schrijven is kutter.’ Toch spat in al haar boeken het vertelplezier van de pagina. Als middelbare scholier was ik al diep onder de indruk van haar werk en dat is nooit meer overgegaan.

Ik moet u echt iets zeggen is haar nieuwste bundel met meesterlijke verhalen over mensen, hun façades en wat er gebeurt als die opeens wegvallen. Van Keulen: ‘Elk verhaal speelt zich binnen 24 uur af. Wat er binnen die beperkte tijd met de personages gebeurt, omvat zoveel van hun levens. Er is ze iets overkomen, er is een confrontatie, er gebeurt iets waarmee ik hun levens soms openrijt.’

Wie meent dat de Nederlandse literatuur niets te bieden heeft, leze ‘Meneer Harry’, een briljante monoloog van een oude man die op zijn rommelige leven terugkijkt. Alleen dat verhaal al verdient een prijs.

vertaald uit het Engels door Anne Jongeling en Carla Hazewindus

Sara over De mooiste tijd van ons leven

Voor de mij-krijgt-u-voorlopig-niet-van-deze-stoel-vakantievierder is deze debuutroman van Claire Lombardo ideaal leesvoer; met deze pil van 661 bladzijdes verzekert u zich van uren sedentair tijdverdrijf.

De mooiste tijd van ons leven gaat over David, Marilyn en de vier dochters die ze samen krijgen. Alle puberleed, ouderlijke ergernissen en volwassenheidskwalen die deze levens met zich meebrengen worden uitvoerig beschreven. Ook de onderlinge verhoudingen tussen de gezinsleden (inclusief een groot geheim tussen twee van de vier zussen) komen aan bod.

Het boek is, ondanks de lengte, beslist niet langdradig, omdat Lombardo met veel vaart schrijft en passages uit het verleden afwisselt met het heden.

De mooiste tijd van ons leven is vooral lekker vakantievoer; fijn ongecompliceerd, soms aan de dramatische kant (uiteraard in de meest positieve zin van het woord – denk hierbij aan een foute ‘Rom-Com’ als Mamma Mia! en u begrijpt wat ik bedoel: hysterisch, maar toch vermakelijk) en met een fijnbesnaarde, warme ondertoon.

vertaald uit het Russisch door Arthur Langevelt

Tatjana over Wolgakinderen

De Russische titel van Wolgakinderen is ‘Дети мои’ (Deti moi) dat letterlijk vertaald ’Kinderen mijn’ betekent. Zo verwelkomde keizerin Catharina II de Duitse boeren die per schip in Kronstadt aankwamen om op haar uitnodiging een leven in Rusland op te bouwen. Deze Duitse kolonisten stichten tussen 1764 en 1773 105 kolonies aan de Beneden-Wolga en over één van deze kolonisten gaat dit epische verhaal.

Zijn naam is Jakob Ivanovitsj Bach en hij is Schulmeister in het dorpje Gnadenthal aan de Wolga, diep in het Russische binnenland. Zijn levensverhaal beslaat de jaren van 1918 tot 1938, een periode onder Stalin van repressie en honger. Hoewel de dictator nooit bij naam wordt genoemd duikt hij af en toe op in het verhaal en krijgt de lezer een huiveringwekkend kijkje in zijn innerlijk leven. Op deze manier schetst Guzel Jachina de waanzin van die tijd, die je hierdoor veel sterker beleeft dan wanneer ze zich tot de historische feiten had beperkt.

Jachina houdt van metaforen. En waar ze bij andere schrijvers vaak gekunsteld overkomen, zijn ze bij Jachina beeldend en zintuiglijk. Je ziet en hoort het kraken van ijsschotsen in de smeltende Wolga. Je voelt en ruikt de steppe in de verzengende zomerzon. Zo weet ze het kluizenaarsleven van Bach om te vormen tot een magisch realistisch sprookje. En hierbij gaat ook alle lof uit naar Arthur Langeveld, die er een prachtige vertaling van maakte.

vertaald uit het Estisch door Ronald Jonkers

Welmoet over De gek van de Tsaar

Een gevaarlijke gek of een bevlogen held, dat is de vraag waar het in deze historische roman van Jaan Kross om draait. De gek van de Tsaar vertelt het verhaal van de adellijke Timotheus von Bock en zijn uit de boerenstand afkomstige vrouw Eeva. In het negentiende-eeuwse Estland belooft Timo aan tsaar Alexander ‘altijd en in alles de zuivere waarheid te zeggen…’. Hij ontwerpt een nieuwe grondwet, stuurt deze naar de tsaar en weet dat hij daarmee zijn doodvonnis velt. In een prachtige passage plaatst Kross tsaar Alexander en Timotheus tegenover elkaar; Alexander kiest voor de macht, Timotheus voor vrijheid van denken.

Na negen jaar wordt Timo vrijgelaten onder het mom van zijn ‘gekte’. De verteller van het boek volgt Timo en Eeva in de jaren die volgen, waarin hun liefde voor elkaar en hun overtuigingen opnieuw zwaar op de proef gesteld worden.

De gek van de Tsaar is een meeslepend boek over liefde, trouw, idealen en de vernietigende kracht van de macht; thema’s ook van deze tijd.

vertaald uit het Amerikaans door Esther Ottens

Jacinthe over Het boek van Jongen

Geiten, wolven, een ridder te paard, een haan die onder de rokken van een non vandaan fladdert, een galjoen en de vele torens van Rome; de houtsnede-achtige illustraties op het omslag van Het boek van Jongen beloven veel goeds. De Amerikaanse Catherine Gilbert Murdock – in Nederland nog onbekend – won met dit middeleeuwse avontuur de Newberry Honor (vergelijkbaar met de Zilveren Griffel).

In het door de pest geteisterde Frankrijk van 1350 slijt een trouwhartige, argeloze jongen (‘Niet “een” jongen. “Jongen”. Zo heet ik.’) zijn dagen als gebochelde geitenhoeder tot hij de knecht wordt van Secundus; een mysterieuze pelgrim die bezig is aan een voettocht naar Rome. Samen moeten zij zeven heilige voorwerpen (rib, tand, duim, scheen, stof, hoofd, graf) zien te verzamelen die Secundus toegang zullen verschaffen tot het paradijs. Jongen zegt toe in de hoop in Rome van zijn bochel te worden genezen. Maar waarom stinkt Secundus zo naar zwavel? En nog raadselachtiger; waarom eet Jongen niet? Hoe komt het dat hij met dieren kan praten? ‘Laat jezelf nooit zien’, is de enige les die zijn opvoeder pater Petrus hem heeft meegegeven. Gaandeweg komt hij erachter dat de bochel misschien niet zijn grootste probleem is. Een barok verhaal over goed en kwaad, zowel lief als woest en mooi eenvoudig opgeschreven. Vanaf 10 jaar.

vertaald uit het Engels door Gerda Baardman en Kitty Pouwels

Oliver over Op de klippen

In Op de klippen voert Jane Gardam je binnen in de burgerlijke wereld van een Engels badplaatsje in de jaren dertig. Dat decor wordt bevolkt door een kleurrijke cast. De kreukloze vader, de naïeve moeder en het volkse dienstmeisje: ze blijken gaandeweg stuk voor stuk menselijker dan Gardam je aanvankelijk wilde doen geloven.

Het is de vroegwijze achtjarige Margaret Marsh die het onwetende middelpunt vormt van de stormachtige verwikkelingen waarin deze volwassenen zich al snel verliezen. Dit perspectief maakt dat je als lezer indirect wel te weten komt, wat het kind zelf nog niet kan begrijpen. Ontroering en spanning zijn het gevolg, maar ook regelmatig hilarische scènes. De thema’s van Op de klippen kennen we uit Gardams andere romans: de toevallige beslissing die een leven voor altijd verandert, en hoe de redding soms toch mogelijk blijkt.

Of u nou de hele Old Filth-trilogie heeft gelezen, of juist net kennismaakt met de taalmagiër die Jane Gardam heet: deze roman zal een eyeopener zijn.

Herman over Op weg naar vrijheid

Filosoof Lammert Kamphuis filosofeert niet voor het filosoferen, maar voor het leven.

Als je geen zin hebt om honderden pagina’s stoïcijnen te lezen, lees dan Op weg naar vrijheid van Lammert Kamphuis; een prachtige bloemlezing stoïcijnse filosofie, op thema geordend zodat het ook voor een stoïcijnse leek te behappen is.

Vanuit de basisgedachte dat stoïcijns in het leven staan vrijheid geeft koppelt Kamphuis citaten van schrijvers als Seneca, Marcus Aurelius en Epictetus aan 21 zorgelijke zaken waar je stoïcijns vrij van kunt worden. Hij begint zijn bloemlezing in deze virustijden natuurlijk met vrij van ziekte. De aanwijzingen van Seneca – veracht de dood – en die van Epictetus – maak van de ziekte een sieraad – geven ruim stof tot nadenken. Na vrij van ziekte komen nog vrij van drukte, vrij van keuzestress, vrij van foute vrienden, vrij van armoede, vrij van zorgen, etc., etc.

Onthouden heb ik dat ja zeggen tegen het leven betekent dat je door de stroom wordt meegevoerd, terwijl nee zeggen betekent dat je erdoor wordt meegesleurd.

Het deed me even denken aan (misschien kent u hem nog) Frater Venantius met zijn beroemde lied ‘zeg maar ja tegen het leven anders zegt het leven nog nee.’

Ik doe m’n best.

vertaald uit het Engels door Margarete Grose-Roolfs

Ine over Vogels als huisgenoten

‘Toen ik ’s winters eens drie weken ziek was speelden de mezen elke dag op mijn bed. (…) Ze paradeerden over mij heen, staart uitgespreid, vleugels half slepend, kopje hoog in de lucht. Ze maakten daarbij gekke geluidjes en zagen er zo dwaas uit dat ik mijn lachen niet kon inhouden.’

Len Howard (1894-1973) bestudeerde jarenlang de vogels in haar eigen huis en tuin. Als ze haar armen uitstak, kwamen daar meteen tientallen mezen en roodborstjes op zitten. De vogels voelden zich volkomen op hun gemak bij haar.

Howard was beroepsmusicus – ze speelde altviool in het London Symphony Orchestra – maar werd beroemd door haar kostelijke vogelobservaties. Ze kende alle vogels in haar tuin en gaf ze namen als Kaalkop, Grijsje en Kronkel. Ze fladderden door haar huis, deden een dutje op haar knie, wachtten haar op bij de bushalte en broedden in de vele nestkastjes die ze in de bomen rond haar huis ophing.

Als je Howards onvergetelijke boek leest, kun je maar één conclusie trekken: vogels zijn net zo slim als mensen en ze verdienen aanzienlijk meer respect dan ze doorgaans van ons krijgen. Gruwelijk is dan ook dat vlak na Howards dood de bomen in haar tuin werden gekapt; niets minder dan een terroristische aanslag. Howard moet zich in haar graf hebben omgedraaid.

hockney2 206

Jacinthe over A history of pictures

Stel je voor: je zit op een terras en hoort hoe aan het tafeltje naast je David Hockney in een vrolijk gesprek verwikkeld is met kunstcriticus Martin Gayford. Zo voelt het lezen van de begin dit jaar verschenen heruitgave van hun sprankelende en rijk geïllustreerde standaardwerk A History of Pictures.

Waar veel kunstgeschiedenissen schilderkunst en andere disciplines als fotografie en film strikt gescheiden houden, gaat dit boek over beeld in de breedste zin van het woord. Als de zoektocht van Hockney en Gayford iets duidelijk maakt is het wel dat al deze kunstvormen onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn; wie een still uit Disney’s ‘Pinocchio’ grondig bestudeert, ziet ineens parallellen met de Japanse prentkunst, en een foto van Marlene Dietrich blijkt opvallend veel gelijkenis te vertonen met de Mona Lisa. Maar: ‘Denk nooit dat een foto echter is dan een schilderij. Dat is hetzelfde als beweren dat Piero della Francesca met zijn fresco het bewijs voor de verrijzenis van Christus geleverd heeft’, aldus Hockney.

Laat je meevoeren en ontdek al bladerend de talloze dwarsverbanden. Voor (groot)ouders die hun enthousiasme willen overbrengen: bij Lemniscaat verscheen een al even prikkelende kindereditie van dit boek.

vertaald uit het Frans door Gertrud Maes

Monica over Mathilde

Tegen de achtergrond van het Marokko van de jaren veertig en vijftig, tot 1956 een protectoraat van Frankrijk, wordt de Franse Mathilde, de grootmoeder van Leila Slimani, verliefd op Amine, een Marokkaanse officier in het Franse leger. Kort na de Tweede Wereldoorlog vertrekken ze samen naar Marokko, waar ze zich vestigen op Amines primitieve boerderij. Op zeer invoelende wijze beschrijft Slimani de spanningen in hun huwelijk. Mathilde mist de luxe van het westerse leven: mooie kleding, een bezoekje aan de bioscoop, een lekker geurtje. Amine, op zijn beurt, werkt keihard om zijn gezin van een toekomst te verzekeren, houdt zielsveel van zijn vrouw, maar verwacht ook dat zij zich aanpast aan de lokale Marokkaanse gebruiken.

De botsingen die dit oplevert – tussen twee mensen en tussen twee culturen – zijn even confronterend als menselijk. Maar uiteindelijk blijkt de kracht van de liefde toch de sterkste.

Sterre over Reis door mijn kamer

In deze tijd, waarin reizen niet vanzelfsprekend is, laat Maarten Biesheuvel in de bundel Reis door mijn kamer ons op meesterlijke wijze zien, dat wij niet ver weg hoeven te gaan voor nieuwe inzichten en bijzondere verhalen. Herinneringen lijken zich te vermengen met fantasie. In het titelverhaal neemt Biesheuvel ons mee door zijn ‘kamertje’ en geeft elk voorwerp een persoonlijke betekenis mee, waardoor je een goed beeld krijgt van zijn schrijverschap: ‘… dat zwart geschilderde blad waarop ooit onderzeeërs zijn ontworpen, daarna pakken door mijn moeder, daarna huwelijksgedichten door mijn vader, daarna verhalen van mezelf…

In Zieke dieren loopt een vader na een ruzie met zijn vrouw het water in en kijkt achterom waar hij zijn zoontje op de kant ziet staan, die het hele stuk achter hem aan is gerend en besluit dan toch naar huis te gaan: ‘mijn vader had nog nooit mijn hand gepakt, hij stopte mijn handje in de zak van zijn kiel, een diepe, warme, natte zak, en bleef mijn hand vasthouden.’ Zo leidt Biesheuvel ons langzaam het leven van een personage binnen, grijpt ons bij de keel met ontroerende beelden om ons uiteindelijk in stilte en eenzaamheid achter te laten.

De verhalen roepen vragen op, halen herinneringen naar boven en voor je het weet, maak je zelf een denkbeeldige reis door je kamer.

Inschrijven nieuwsbrief