Slider

Nieuwsarchief

Eerdere winkelverhalen

September 2019


Ik wist dat ik op een goede plek beland was, toen een enthousiaste meneer het boek De galanthofielen – 160 jaar sneeuwklokjesliefhebbers kwam ophalen. Het was buiten al volop mei, en het laatste bloeiende exemplaar van de frisse lentebode (‘galantus’ in het Latijn) had zijn bescheiden witte blaadjes alweer afgelegd. Om de tijd tot het volgende voorjaar tóch door te komen, ging meneer zich maar verdiepen in de biografieën van gelijkgestemden.

Als je in een boekhandel als Van Someren & Ten Bosch werkt, spreek je constant bijzondere mensen. Vaste klanten en mensen die hier voor het eerst komen en blij verrast zijn door het aanbod en de sfeer. Velen komen binnen met een boekenverhaal. Hartverscheurende verhalen zitten daar soms bij. Zo sprak ik de man die op zoek was naar de boeken uit zijn kindertijd: zijn ouders hadden tijdens hun verhuizing, zonder overleg, zijn complete bibliotheek naar de stort gebracht. De weemoedige manier waarop hij een nieuw exemplaar van The Wind in the Willows vasthield, zou hete tranen in de ogen van de meest geharde boekenhater doen opwellen.

Wat deze boekhandel zo magisch maakt? Dat is een combinatie van factoren. Aan de ene kant de mensen die hier nú rondlopen: de klanten en collega’s die ieder hun eigen weg naar deze papieren schatkamer vonden. En ook de dingen die je samen meemaakt: van het kleine meisje dat door een langsscherend foliant werd omgemept en pas tot bedaren kwam bij het zien van een Dikkie Dik-kleurplaat, tot de mevrouw die onderaan de trap door een wesp werd aangevallen. Dat komt misschien elders vaker voor, maar alleen hier kon het gebeuren dat diezelfde wesp, in één beweging door, een spinnenweb onder de onderste traptree invloog en door een struise spin verorberd werd, als straf voor zijn onacceptabele gedrag.

Aan de andere kant zijn het de mensen die hier vroeger gewerkt hebben: al 175 jaar lopen hier collega’s van mij rond. Al zijn de vragen door de jaren veranderd (‘…wilde u Bilderdijk in leer, in halfleer, of ingenaaid?’), en hebben de generaties klanten elkaar opgevolgd (‘Gaat u zitten, mevrouw Gerhardt!’ ‘Kan ik u van dienst zijn, meneer Bloem?’), sommige dingen blijven hier gelukkig hetzelfde. Het mysterieuze magazijn in de smalle, hoge gang, het zoeken naar boeken, en de altijd aanlokkelijke voorraad op de planken.

Mij raken ze hier voorlopig niet kwijt!

November 2019

Oktober bracht dit jaar nog heel wat zonnige dagen, en ook bij Van Someren & Ten Bosch zomerde het nog flink na. Het leek wel alsof er ongewoon veel exemplaren werden verkocht van boeken als ‘Van vulva tot vagina’ en ‘Vuile lakens’, en het poëtische ‘Kakkerlakje’. Seks is leuk, met gedichten van Lucky Fonz III, werd integraal voorgelezen door Achterhoekse dames op een dagje uit. Moeders van puberzoons kochten ‘Het kleine piemelboek’, welk adjectief , haast ik me te zeggen, op het formaat van het boek slaat, en niet altijd, pars pro toto, op de lezer, en ook het zusterdeel ‘Het vrolijke vaginaboekje’ vond grif aftrek, als dat het juiste woord is.

Vooral op onze bovenverdieping kan de temperatuur op een zonnige dag soms flink oplopen. En dan ben je soms ongewild getuige van tamelijk verhitte gesprekken. Zo stonden enkele weken terug twee twintigers daar naar boeken te kijken. ‘Je weet wel,’ zei zij plotseling, ‘die moedervlek op mijn bil?’ Hij antwoordde, een tikje gretig misschien, bevestigend. ‘Nou, die is op dat naaktstrand nóg bruiner geworden! – Wil je ‘m zien?’ En vóór haar gesprekspartner, verbaal tenminste, kon reageren, draaide ze zich om en toonde hem de bemoedervlekte bil, inclusief het aanpalende, wellicht minder opzienbarende evenbeeld. Een strategisch geplaatst rek met verjaarskalenders onttrok het schouwspel gelukkig aan mijn onbescheiden blik.

Die nazomerdagen zijn echter niet slechts de voorbode van loomheid en gefluisterde intimiteiten. De Zutphense Dweildag zorgt bijvoorbeeld voor de nodige luidruchtige gezelligheid. Omdat onze Turfstraat die dag op de route van een slordige veertig dweilorkesten en drumbands ligt, schallen de marsen en schlagers dan een dag lang de winkel in. Na vier of vijf rondes wordt het dan achter de kassa lastig om helder na te blijven denken.

Dieptepunt die middag was mijn gesprek met een kalm ogende dame die op zoek was naar een boek. Tweemaal was de titel al verloren gegaan in het feestgedruis, toen mevrouw plots door de winkel gilde: ‘STILTE!!’ Ik kon alleen beamen dat ik diezelfde behoefte had, maar niet in staat was iets aan de omstandigheden te doen, en ik wilde haar dat net verontschuldigend verklaren, toen ze me ter verduidelijking op haar telefoon het omslag toonde van die Japanse klassieker, door Shusaku Endo.

Februari 2020: Tsjip

Zowel Tsjechov als Carmiggelt wisten het: de dankbaarste onderwerpen om over te schrijven zijn kinderen en honden. Dat komt misschien omdat beiden zo onomwonden nieuwsgierig en ontroerend eerlijk zijn.

Zo zijn jonge kinderen vaak pientere literaire critici. ‘Ik ben op zoek,’ zei een vader tegen mij, ‘naar een boek over klassieke mythologie voor kinderen.’ De lezer in kwestie was zijn zoontje, een intellectueel gezien vroegrijp jongetje van zes. De jonge classicus in de dop had genoten van de verhalen over Theseus in het labyrint, en van diens avonturen met de Minotaurus, Ariadne en de bol touw. Maar, was de strenge vraag geweest, hoe ging het verhaal nou verder? Waren de twee uiteindelijk nog bij elkaar gekomen? Hoeveel kinderen hadden ze gekregen? Wie van de twee verschoonde de kattenbak? En wat vonden ze het lekkerste op hun pannenkoeken? Mijns inziens zou het een volwassene gewoon niet meer lukken zulke nuchtere vragen over boeken te stellen.

Niet dat volwassenen deze capaciteit voor eerlijke kritiek altijd kwijt zijn. Ik moet denken aan een van onze klanten: hij was op zoek naar een historische roman en wist zich daarbij heel goed in dat kritische kind te verplaatsen. Hij verklaarde dat hij Thomas Rosenboom niet wilde lezen. Niet omdat hij, zoals ik vervolgens suggereerde, diens neorealistische stijl niet kon waarderen. ‘Nee, dat is het niet,’ verklaarde hij mij geduldig: ‘zijn kop staat me gewoon niet aan.’ En dat is misschien wel de beste reden om een boek niet te willen lezen, wat de critici in de zaterdagbijlagen ook zeggen.

Wat honden over klassieke mythen denken, zullen we misschien nooit weten, maar de nieuwsgierigheid van het zoontje van mijn klant is ook hun zeker niet vreemd. Dat die eigenschap bij een hond ook heel tragisch kan uitpakken, is mij nu wel duidelijk. We hebben bij Van Someren namelijk sinds een half jaar een winkelhond. Heeft u haar nog nooit opgemerkt? Dat is niet vreemd, want ze bleek al snel niet erg aan het functieprofiel te beantwoorden: dat hield vooral in dat ze rustig moest stilliggen en er lief uit moest zien.

Ze heet Tsjip, naar het jongetje uit Elsschots gelijknamige novelle, maar zelfs die onomatopeïsche naam heeft niemand kunnen voorbereiden op de geluiden die dit energieke ruwharige teckeltje uitstoot als ze in de winkel te gast is. We hebben zeker geprobeerd haar te laten wennen aan een omgeving waarin steeds weer andere interessante mensen langs haar neus lopen, maar ook haar hok, dat uit het zicht achter het bureau halverwege de winkel opgesteld stond, was haar te saai.

Als na tien minuten de snoepjes op waren en het speeltje terzijde werd geworpen, werd de tantaluskwelling te erg: mevrouw wilde de rest van de winkel onderzoeken, en dat liet ze weten. Het resulterende geluid hield het midden tussen de doodsrochel van een kalkoen in de wurggreep van een bloeddorstige marter en het klagelijke jammeren van een baby die al drie nachten door groeikrampjes geteisterd wordt. En dat geluid blijkt nou juist van de perfecte toonhoogte te zijn om kleine kinderen bang te maken en trouwe klanten verwijtende blikken op het personeel te laten werpen. De gruwelijke verwondingen die een tweetal te ver van de kelderkast afgedwaalde plumeaus uiteindelijk opliep, zorgden ervoor dat Tsjip nu, vooralsnog althans, persona non grata in de winkel is.

Oliver Gee (1982) studeerde kort Theologie in Utrecht en daarna Nederlandse letterkunde in Amsterdam. Doordeweeks is hij docent Nederlands in Arnhem, op zaterdag staat hij bij Van Someren & Ten Bosch in de winkel. Oliver woont sinds vier jaar met zijn vriend in Brummen, waar hij hun huis volstouwt met negentiende-eeuwse boeken.

April 2020

Onze winkel is gewoon open. De boeken worden geleverd en de verlokkende koopwaar ligt gewoon in de etalage. Maar tegelijk is er niets gewoons aan, daarbinnen. De vloer is voorzien van pijlen, de pinautomaat baadt in ontsmettingsmiddel, en klanten en personeel voeren op anderhalve meter van elkaar een ingewikkeld ballet op. Het is coronatijd, en voorzichtigheid is geboden.

Men gebruikt onze bezorgservice, of komt het quarantaine-leesvoer contactloos betalen, om dan weer snel de stille straat in te stappen. Onder deze omstandigheden zijn ook mijn collega’s, zoals zovelen, meer thuis.

Omdat ik me begon af te vragen wat ze daarginds toch allemaal uitvreten, heb ik maar eens inlichtingen ingewonnen.

Al snel werd duidelijk dat de thuiszitters uiteenvallen in twee categorieën: degenen die nu niet veel te doen hebben, en zij die nu drukker zijn dan ooit. Zo viel mij op dat sommigen hun overzicht van bezigheden vooral in negatieve zin formuleerden: zo zingt Welmoet op dit moment niet in haar koor, bespreekt zij geen boeken met haar leesclub en past ze niet met haar man op de kleinkinderen. Toch ziet Welmoet het zonnig in: ze leest lekker veel in het stille Friesland.

Dat het afstand houden niet iedereen bevalt, toont Herman aan: de rechtbank is feitelijk dicht, en als bestuurslid van de Walburgiskerk ziet hij lijdzaam toe dat die kerk ‘nu gewoon leeg staat te staan.’ Hij haalt de Chileense dichter Pablo Neruda aan, die voorschreef ‘van tijd tot tijd een grafbad’ te nemen.

Op een wellicht wat minder morbide manier is ook Monica bezig met leegte: ze ruimt de ‘oude fietsen, hockeysticks, verlepte voetballen en gesloopte brommers’ op die in haar garage liggen opgetast. Bovendien leest ze dagelijks haar kleinzoon online voor uit Jip en Janneke.

Die kinderen kunnen anderzijds juist de aanleiding zijn tot extra drukte. ‘Om muiterij te voorkomen,’ legt Jacinthe bijvoorbeeld uit, ‘schrijft school een vast dagritme voor.’ In het klasje dat ‘s ochtends stipt om half negen aan tafel verschijnt, zitten ook de kinderen van twee bevriende huisartsen. Na een les spelling en rekenen ‘wordt er fanatiek coronatikkertje gespeeld: wie getikt wordt, is besmet.’

Met pubers in huis ligt dat iets anders. Tatjana’s thuisonderwijs aan haar twee kinderen klinkt knap lastig: ‘ik zit nu filmpjes over parabolen en kwadratische vergelijkingen te kijken om zoonlief te begeleiden met zijn huiswerk.’ Ze is ‘eigenlijk drukker dan ooit.’

Jet en Sara werken nu juist veel in de winkel en bezorgen boeken. Beide meisjes koken thuis voor hun familie. Jet beluistert daarbij de online lessen van school via de koptelefoon, Sara neemt pauze door er af en toe met de hond op uit te gaan…mét voldoende afstand natuurlijk.

Als docent geef ik ook les, al zitten mijn leerlingen ieder in hun eigen huis. Niet de onrust in het digitale lokaal is nu een probleem, maar juist die griezelige stilte. Op mijn vraag of ik het al verloren heb van computerspelletjes, klinkt het dan: ‘Nee hoor! We zijn gewoon hard aan het werk!’

En eigenares Ine zelf? Die verklaart dat er ‘geen leven buiten de boekhandel’ bestaat. Ze staat met haar werk op en ze gaat ermee naar bed. Er is maar één iemand die haar kan overtuigen even te pauzeren, en dat is teckel Tsjip. De regelmaat van dat hondenleventje gaat gewoon door: corona of geen corona.

Juni 2020

Als ik zo op zaterdag door onze winkel loop, kan ik het niet laten te denken aan wat er zich daarbinnen allemaal heeft afgespeeld sinds het jaar 1844. Hoeveel tienduizenden keren is de voordeur achter een boekenliefhebber in het slot gevallen? Hoeveel honderdduizenden stukken pakpapier zijn er nét iets te klein afgescheurd om een dik boek in te pakken? En het duizelt me al helemaal als ik denk aan de enorme hoeveelheid boeken die door de jaren heen langs deze wanden heeft gestaan.

Ik stel me dan onwillekeurig wel eens zo’n versneld filmpje uit een natuurdocumentaire voor: zo eentje van een gifgroene varen die zich met geweld uit de vochtige aarde omhoogwerkt. Maar dan met rijen boeken in plaats van planten natuurlijk. In die onmetelijke rij wisselen de boeken elkaar dan zo snel af, dat je de individuele boekbanden niet eens meer kunt zien: die gaan op in een slinger die langzaam van kleur verandert naarmate de jaren verstrijken: leerachtige bruintinten eerst, met hier en daar het glimmen van goudstempeling en het schemeren van grijs karton, die langzamerhand overgaan in zachter groen en bruin van linnen en een heel stuk later in het geflikker van gelamineerde Prisma-pockets.

175 jaar lang huist Van Someren al op ditzelfde adres. Het interieur ziet er intussen alweer bijna een generatie ongeveer hetzelfde uit: in 1979 vond de laatste grote verbouwing plaats. De binnenruimte is toen bijna verdubbeld. Hoe dat kan, zonder te verhuizen? Al in 1847 kocht de oprichter van de winkel, Albert van Someren, het pand aan de Turfstraat, ‘belendende eenerzyds den Heer J.G. Wynveldt en anderszyds den horologiemaker Bucker’, zoals het in het contract heet. Bij dat pand hoorde een achterhuis, gelegen aan de Rosmolensteeg. Daarin was jarenlang de tweedehands afdeling van Van Someren te vinden, en in de jaren dertig werden daar de fietsen van het personeel gestald. Tegenwoordig is in dit gedeelte de kinderboekenafdeling gevestigd. Tussen de twee panden lag een kleine binnenplaats. Die buitenruimte werd in 1979 overkapt: de blinde muren waartegen de boekhandelaar vroeger, vanaf zijn cilinderbureau door het raam kijkend, de zon zag schijnen, stutten nu de kasten met kunst- en muziekboeken, beschermd tegen de elementen.

Als u de volgende keer bij het bureau naast de trap een vraag stelt of een boek bestelt, kunt u zich misschien nog even denkbeeldig koesteren in het zonlicht dat daar meer dan een eeuwlang geschenen heeft. Rietvelds driebuizenlamp doet nu zijn best die zonnige illusie in stand te houden.

Inschrijven nieuwsbrief