Banner trap

Nieuwsarchief

Eerdere schrijftips

Ad ten Bosch

Foto © J.W. Kaldenbach


Wat mij op weg hielp was de opmerking een verhaal te beginnen alsof je een brief aan een vriend schrijft. Je hebt dan meteen de toon te pakken die bij je past, want daar moet je het van hebben, je moet dicht bij jezelf blijven en alleen gebruiken wat van jou is. In het begin is het misschien onvermijdelijk in vocabulaire of stijl iets over te nemen van de schrijver die je bewondert, om op gang te komen, maar zodra je meer ervaring hebt, zal dat verdwijnen. Dan voel je namelijk dat je het zo niet wilt zeggen, dat het jouw vocabulaire of stijl niet is, dat je leentjebuur speelt. Je stelt jezelf teleur en alle moeite die je je verder moet getroosten om een verhaal of roman te schrijven loont op den duur niet.

Wanneer de formuleermachine op gang is gebracht, begint het pas. Wat wil je zeggen? Vind je het alleen maar leuk om te schrijven of ligt daar ook een zekere noodzaak aan ten grondslag? Zonder dat laatste loop je gauw de kans jezelf te vervelen, om maar te zwijgen van de lezer. Bij schrijven vanuit een innerlijke noodzaak, denk je niet aan een lezer. Alle aandacht en concentratie gaan uit naar wat je te vertellen hebt, en mocht de taal niet over de woorden beschikken om vorm te geven wat je wilt zeggen, dan verzin je maar nieuwe.

Wie schrijft heeft alleen aan zichzelf verantwoording af te leggen. Werk naar eer en geweten, dan heb je jezelf niets te verwijten, hoe de kritiek ook uitvalt. Je hebt alles gegeven, en je weet dat je het op dat moment niet beter kon. Lees in het beginstadium alle kritieken, hoe vervelend ook, je leert ervan en het komt je volgende verhaal ten goede. Scherpe kritiek mag je echter niet ontmoedigen, tenzij je geen schrijver bent.

Ad ten Bosch is uitgever, boekhandelaar en schrijver. Hij was gedurende enkele jaren eigenaar van uitgeverij Athenaeum – Polak & Van Gennep en eigenaar van de boekhandel Van Someren & Ten Bosch. Hij schreef onder andere De IJssel stroomt feller dan de Amstel (Van Oorschot, 2019).

Annegreet van Bergen

Foto © Ingrid Zweverink


Wat is mijn doelgroep? Dat vraag ik me bij het schrijven altijd af. In negen van de tien gevallen is dat voor mij het algemene publiek. Dat was al zo toen ik in 1982 als pas afgestudeerde econoom bij de Volkskrant begon. Daar op de financiële redactie vonden ze dat ook iemand met 4-HAVO je verhalen moest kunnen begrijpen. Nog steeds heb ik die ambitie, waarbij ik het een sport vind om  laagdrempelig te schrijven zonder dat academici of hbo’ers dat merken.

Ik vermijd moeilijke woorden (of leg ze uit) en knip een zin, wanneer hij te lang wordt, in tweeën. Taal is voor mij een vehikel, een middel om een verhaal te vertellen. Taal is geen doel op zich. Als ik ze al kon verzinnen, dan nog zou ik niet strooien met ingenieuze taalkunstjes of knappe woordspelingen. De schoonheid van taal kan namelijk ook afleiden. Mijn lezers hoeven niet steeds te verzuchten ‘wat zegt ze dat toch mooi’. Ik hoop hooguit dat ze achteraf denken ‘wat is dat prettig geschreven’.

Voordat ik echt ga schrijven, laat ik mijn gedachten over de mogelijke onderdelen van het verhaal gaan, het liefst op de fiets of tijdens een wandeling. Wat er dan precies gebeurt weet ik niet, maar na verloop van tijd ontstaat de verhaallijn vanzelf. De belangrijkste punten noteer ik met pen op papier. Intussen fladderen er zinsneden in mijn hoofd, later hele zinnen. Dan ga ik achter mijn computer zitten en begint het feitelijke schrijven. Wanneer er een ruwe schets op het beeldscherm staat, ga ik ‘tutten’. Ik schuif met tijd- en plaatsbepalingen, gooi zinnen om, kies andere woorden. Na heel wat schuren, schaven en schilderen (en vaak een paar nachtjes slapen) heb ik een tekst waarvan ik hoop dat hij mijn bedoelingen helder aan de lezer overbrengt.

Anders dan vroeger bij de Volkskrant neem ik nu ruim de tijd om een verhaal te schrijven. Mijn belangrijkste tip: stel niet uit, ga bijtijds aan de slag, wanhoop niet en blijf rustig zoeken naar de juiste woorden om je verhaal te vertellen. Omdat mijn echtgenoot P. een neus heeft voor te grote gedachtesprongen, vraag ik hem altijd mijn stukken als eerste te lezen. Nog een tip: zoek een lieve, maar kritische eerste lezer.

Annegreet van Bergen (Enschede, 1954) is econoom en journalist. Ze werkte voor onder andere de Volkskrant en Elsevier en was van 2006 tot 2015 columnist van de Stentor. Ze is auteur van de bestsellers De lessen van burn-out, Gouden jaren en Het goede leven.

Caspar Janssen


Als kind wilde ik drummer worden. Hele namiddagen en vroege avonden zat ik met potloden een drumstel te bespelen dat bestond uit busjes, kopjes, glazen, doosjes en schoolboeken. Maar een echt drumstel kwam het huis niet in, besloten mijn ouders, vanwege de buren. Die beslissing hakte er flink in.

Toen ik later ging schrijven merkte ik dat ook schrijven alles met ritme te maken heeft. Schrijven is een kwestie van de aandacht vasthouden. De kunst is om in te schatten wanneer en waarom je zelf afhaakt bij een tekst die je produceert. En om dat toe te geven. Zo zit ik vaak in mezelf pratend gebogen over mijn teksten: Nee, nu wordt het langdradig, en nee, dit is te stroef geformuleerd, of nee, te veel informatie in een zin, nu dwaal je te ver af, of nee, dit is larmoyant, of nee, dit is een cliché. Het tegendeel kan ook gebeuren, dat je geraakt wordt door een tekst die je zojuist hebt neergeschreven. Dat is het hoogst haalbare.

Bij alles wat ik schrijf probeer ik het ritme te zoeken dat bij het onderwerp past. Afgelopen jaren schreef ik over het landschap, ik liep door Nederland en schreef korte stukjes over wat ik zag en hoorde. Het ritme van het landschap – en mijn eigen looptempo – had zijn weerslag op de taal. Het ging op en af, kronkelend, soms even recht vooruit, met gezwinde pas of met gestrekt been, dan even stilstaand, dan weer werd het tijd voor een zijweggetje, dan was het lang, dan weer kort. Het doel is dat de lezer het gevoel heeft dat hij of zij meeloopt.

De moeilijkheid bij het schrijven over landschap en natuur is dat er weinig pratende personages voorhanden zijn. De kunst is om die niet in mensentaal sprekende omgeving op papier tot leven te brengen, om de lezer dat landschap in te leiden en te laten beleven. En om de spanning vast te houden. Dat kan alleen door zorgvuldig taalgebruik en door afwisseling. Wat je ook kunt zeggen: schrijven draait om ritme, om variatie, om tempowisselingen. Verrassende wendingen, originele taalvondsten, het zijn allemaal bruikbare instrumenten, mits ze in dienst staan van het verhaal, mits je er geen valse noten mee produceert. Ik hou het mezelf graag voor: schrijven is net muziek maken. Al is het maar omdat ik zo, voor mijn gevoel, toch nog een beetje drummer ben geworden.

Caspar Janssen is journalist (o.a. voor de Volkskrant) en schrijver. Hij schrijft over natuur, dieren, wilde planten, landschap en de rol van mensen daarin. Vaak is hij op pad, maar hij verblijft ook graag op zijn balkon, waar hij een insectenparadijs probeert te creëren.

Gerdien Verschoor

Foto © Wim Bannink


Het is op de kop af tien jaar geleden dat ik me terugtrok in Kraków om mijn eerste roman te schrijven. Ik had tien weken, en na die tien weken moest er een eerste versie van mijn boek zijn dat al een tijd in mijn hoofd zat. Dat lukte: door een schema en door discipline. En natuurlijk vooral door heel veel plezier te hebben in het schrijven van mijn roman.

Voordat ik vertrok, had ik op een grote rol papier een raster getekend: zeven hoofdstukken maal zeven scènes per hoofdstuk, 49 vakken. Ik had berekend dat als ik tweeduizend woorden per scène zou schrijven, ik uit zou komen op zo’n honderdduizend woorden, waarvan ik er in klad zo’n dertigduizend had. Bij duizend woorden per dag zou ik tijdens mijn sabbatical een eerste versie van het boek kunnen schrijven. Ik schreef de scènes in steekwoorden (‘kind ondersteboven geboren’ ‘schoenlapper’ ‘engel smijt met stenen’) op post-its en plakte die op het papier, mijn storyboard, in de hoofdstukken waar ze terecht zouden moeten komen. Het schema ging opgerold in mijn koffer en heeft alle schrijfweken in Kraków en later weer thuis boven mijn bureau gehangen. Ook bij mijn latere boeken maakte ik gebruik van een storyboard.

De eerste drie weken in Kraków heb ik in een flow geschreven, scène na scène. ’s Nachts kon ik niet slapen en schreef ik door in mijn hoofd. Nieuwe scènes, nieuwe personages, beelden, verhalen, plotjes kwamen uit het niets tevoorschijn en die kregen weer een plek op het storyboard, dat voortdurend veranderde (totdat het zijn vaste vorm kreeg). Om in die flow te komen, had ik discipline nodig: geen internet, geen telefoon in de buurt, vaste schrijfuren. En het belangrijkste: ik mocht iedere dag pas stoppen met schrijven als ik die duizend woorden had, of ze nu goed of slecht waren. En het lukte! Na tien weken stond er een eerste versie van De draad en de vliegende naald op papier.

Iedere schrijver heeft zijn eigen manier. Maar voor iedere schrijver geldt: schrijf! Wees niet bang, pak je pen, en schrijf! Laat je niet afleiden, geloof in jezelf, en schrijf!

Gerdien Verschoor is  kunsthistoricus en auteur.  Ze woonde en werkte jarenlang in Polen. Kunst, literatuur en de geschiedenis van Midden-Europa zijn haar belangrijkste inspiratiebronnen. Vaak speelt in haar werk de Tweede Wereldoorlog een rol van betekenis. Gerdien heeft haar schrijverschap jarenlang gecombineerd met haar baan als directeur van CODART het internationale netwerk van museumconservatoren van Nederlandse en Vlaamse kunst. Sinds 1 juli 2019 is ze directeur van Herinneringscentrum Kamp Westerbork.

Otto de Kat


De kunst van het schrijven? Wie een boekhandel binnenloopt kan al gauw tot de conclusie komen dat schrijven geen kunst is. Zie de duizenden titels, de opgewekte stapels, de hoofden van auteurs op boeken en posters. Of ga naar een antiquariaat, kijk op boekwinkeltjes.nl en dompel je onder in de oneindige zee aan schrijvers, hun namen vergeten, hun boeken versleten, de eens geschreven zinnen bijna onzichtbaar geworden.

Achter al die namen, achter al die romans en gedichten, achter essays en biografieën, achter sprookjes en tragedies ligt het ooit ontvlamde idee: ‘ik ga schrijven, kome wat komt’.
In de loop van de jaren heb ik steeds meer gevoel gekregen voor de schrijvers van ooit. Zelfs in het slechtst geschreven boek, onder het minst aantrekkelijke omslag, zitten de talloze uren waarin geschrapt is, gevloekt, gevlucht en weer begonnen is, de moeizame woorden aan elkaar gedreven werden, de laatste punt uiteindelijk gezet moest worden.

Wie kent nog Marja Roc, de schrijfster van de mooie roman Van ’s duivels begeren? Ik wed dat niemand dat de laatste vijftig jaar heeft gelezen (toegegeven, ik vijfmaal). Of De dans om de galg, het laatste deel van de indrukwekkende trilogie van Johan Fabricius, wie las het (ik driemaal)? De kunst van het verdwijnen, en verdwenen zijn, en opeens weer ontdekt. Zo is schrijven, geloof ik. Eerst moet je verdwijnen, alles vergeten wat je dacht voor een boek nodig te hebben, alle al te uitgezochte gegevens overboord zetten, en dan naar je tafel lopen, een pen pakken, het raam uitkijken, niks zien en beginnen. De woestijn zal bloeien als een roos. De kunst is om niet over schrijven na te denken, vooral niet te denken dat het ‘kunst’ is, of een kunst. Schrijven is vergeten. En vergeten worden, tot nader order.

Otto de Kat is het pseudoniem van Jan Geurt Gaarlandt (Rotterdam, 1946). Hij studeerde theologie, met bijvak Nederlands. Na zijn studie werd hij literair criticus van De Volkskrant en Vrij Nederland, en maakte hij literaire radiodocumentaires. Eind 1977 werd hij uitgever van Uitgeverij De Haan (onderdeel van Unieboek) en in 1986 richtte hij Uitgeverij Balans op, waar hij nog steeds werkzaam is.

Menno Tamminga


‘Het was een hel toen de Canadezen door de gangen schoten,’ schreef een arts op Het Groot Graffel in zijn dagboek. ‘Vrij – wat waren we dankbaar, we hadden teveel doorgemaakt om vrolijk te zijn,’ schreef mevrouw Nuy in de kelder van het modemagazijn in de Korte Hofstraat.

Het begon eind 2018 als een overzichtelijk project dat niet veel tijd hoefde te kosten. Een artikel voor het tijdschrift Zutphen van 2.500 woorden. Ik wilde aan de hand van dagboekfragmenten uit maart en april 1945 over de bevrijding van Warnsveld en Zutphen vertellen. Hoeveel publiek toegankelijke dagboeken zouden er zijn? Op de redactie van het tijdschrift kwamen we op drie à vier.

Het bleken er meer dan twintig te zijn. Van een gevangengenomen koerierster van het verzet tot een Joodse onderduiker, van een arts op Het Groot Graffel tot een dramatische brief uit De Hoven: gewone Zutphenaren, jong en oud. Ploeterend door de soms pietepeuterige handschriften, werd ik verrast en soms ontroerd door wat hier was gebeurd.

Als journalist bij NRC zijn de deadlines kort: soms een paar uur. Maar ach, de deadline voor dit boek was zo ver weg: april 2020. Toch werd het een wedloop tegen de tijd en een aanslag op vakantiedagen en weekeinden. Ik wilde steeds meer. Het is maar één keer 75 jaar bevrijding, toch? Ik schreef uiteindelijk op basis van dagboeken mijn boek Wij zijn vrij!, over de bevrijding van Warnsveld, Zutphen en De Hoven. En daarnaast nog een spin-off over de onderduik van de Joodse familie Elzas in Zutphen en Brummen, met als titel Het geheime luik. En dat ene artikel voor het tijdschrift Zutphen: dat werden er vier.

Met voorpret keek ik uit naar eind februari: het eerste weekend zonder werk voor de bevrijdingsprojecten. Toen kwam de coronacrisis. De presentaties van de boeken werden afgelast, de lezing ook. Jammer, maar een nietig voorval in deze pandemie. Toch was het zo’n mooi moment geweest om de mensen te bedanken die me hadden geholpen.

En nu? Thuis werken. M’n keukentafel is m’n werkplek. Elke ochtend overleg ik met zo’n twintig NRC-collega’s in een videoconferentie. Wie doet wat? Welke onderwerpen? Jonge collega’s gidsen me door een digitaal abracadabra van moderne communicatiekanalen.

Het virus schept verwarrende tijden. Als het een jaar geleden was gekomen, had ik de boeken niet geschreven. Andere prioriteiten. Maar er zijn opeens ook raakvlakken met 75 jaar geleden. De omstandigheden zijn totaal verschillend en onvergelijkbaar, maar de gevoelens waar de auteurs van de dagboeken vol van zijn, onzekerheid, kwetsbaarheid, dreiging en angst – die zijn de laatste weken zoveel indringender en herkenbaarder geworden.

De bevrijding bracht een ontlading van onderlinge hulp en vreugde. Zoveel was kapot in Zutphen, maar zoveel is weer opgebouwd. Kijk naar de foto’s van 1945 in Wij zijn vrij! en dan naar hoe het nu is. Wat zij toen konden, kunnen wij nu ook.

Menno Tamminga is econoom en journalist. Voor NRC schrijft hij over ondernemingsbeleid en economie.

Marjoleine de Vos


Michelangelo moet gezegd hebben dat hij bij het beeldhouwen slechts het beeld uit het marmer hoefde te bevrijden. Dat is een gedachte die de kunst vergoddelijkt, het kunstwerk wordt ons geschonken, het wordt niet gemaakt. Zo metafysisch denken wij niet meer.

Maar toch. Ik heb Harry Mulisch wel eens horen vertellen over zijn moeilijkheden met een bepaald personage dat voor het verhaal moest weglopen bij een gesprek geloof ik, maar dat personage vertikte het gewoon, hij kreeg hem niet de kamer uit, zei hij. Ida Gerhardt maakte steeds weer duidelijk dat het vers haar gegeven werd: ‘Het slaapt nog, bij mij geborgen;/ het slaapt nog – ongenomen.’ En de dichter Jean Pierre Rawie zei in een interview over het schrijven van een gedicht: ‘Alsof je hand toch enigszins geleid wordt.’ Onlangs sprak ik Componist des Vaderlands Calliope Tsoupaki die zei dat ze van Louis Andriessen had geleerd dat je moet gaan waar het stuk je leidt, niet andersom. Dus die gedachte, dat er iets ‘is’ al voor het er echt is, en dat er een noodzakelijke ontwikkeling zit in wat de kunstenaar al scheppend schrijft, die leeft nog wel steeds.

Het beeld uit het marmer bevrijden gaat misschien wat ver, maar dat de schrijver, als het goed is, het gevoel heeft dat wat er staat niet geheel van eigen hand is, lijkt wel begrijpelijk. Als dat ongrijpbare element er niet in zat, kon het kunstwerk nooit méér betekenen, nooit groter worden dan de maker, en wat zouden we er dan aan hebben?

Natuurlijk heeft het geen zin om af te gaan zitten wachten. Rutger Kopland schrijft in een gedicht dat iemand tegen hem zei: ‘Dichtregels worden de dichter gegeven.’ Hij reageert met: ‘Dat heb ik nooit geweten.’ Hij schrijft dat er wel soms ‘een vreemd soort ontroering’ in hem opkomt waarvoor hij naar woorden zoekt. Dat lukt niet altijd: ‘Geen woord werd mij gegeven, integendeel./ Ieder woord geef ik voor een beter.’

Schrijven is een vorm van verhevigd bewustzijn, iets tussen luisteren en maken in, ontvangen en zwoegen inéén. En verder veel prutsen aan wat er komt te staan. Ja, heel veel prutsen.

Marjoleine de Vos (1957) is dichter en redacteur bij NRC Handelsblad. Ze schrijft over kunst, literatuur en koken, en heeft een tweewekelijkse column op de opiniepagina. Een selectie uit deze columns werd gebundeld in Nu en altijd: bespiegelingen (2000). In 2000 verscheen ook haar eerste poëziebundel Zeehond graag, in 2003 gevolgd door Kat van sneeuw. Zeehond graag werd genomineerd voor de VSB Poëzieprijs 2002. In 2008 verscheen de bundel Het waait en 2013 Uitzicht genoeg. In het voorjaar van 2018 verscheen de essaybundel Doe je best en in 2020 publiceerde ze Je keek te ver, over het rondje dat ze elke dag vanuit haar huis maakt en vooral over hoe je kijkt, écht kijkt.

Adriaan van Dis

foto: Carel Schutte


De kunst van het schrijven. Kunst? Het is vooral discipline, een spier die je dagelijks moet oefenen. If you don’t use it you lose it – sportschoolpraat. Schrijven is voor mij noodzaak. Als ik het lawaai in mijn hoofd niet op papier zet word ik narrig en ongelukkig – dus hup achter de tafel en pennen. Ook al belandt het merendeel in de prullenbak. Het schrijven zelf is een kwestie van goed luisteren en kijken: ik hoor stemmen, zie figuren lopen en als ze blijven hangen bied ik ze een stoel aan. Hun broeken en rokken komen uit vreemde kleerkasten (ik ruik ze), hun woorden zijn de mijne niet – brutaal zijn ze, gevat en soms uitgesproken vervelend. Ze eisen ruimte op, vertimmeren de boel en bouwen een decor dat hen past: spelen willen ze, hun verhalen vertellen. En wat is mijn rol? Die van nederig notulist? Nee, ik mag me niet laten verleiden door hun al te vloeiende zinnen en let vooral op de aarzeling in hun spel, noteer de hapering en de schaamte die in hun stiltes schuilt.

Weken voor ik aan een nieuwe roman begin, melden de eerste karakters zich aan – een schimmig gezelschap, tot leven geroepen door de blik van een passant, na het lezen van een berichtje in de krant of een regel poëzie. Soms vragen ze keurig belet, een enkeling breekt brutaal in. Het gezelschap hoeft niet compleet te zijn voor ik hun verhalen begin op te schrijven, ook halverwege een roman kunnen karakters nog het toneel op klimmen. Al is het mogelijk dat hun rol door zwak of overbodig spel weer naar de coulissen verdwijnt. Voor mijn nieuwste roman KliFi trokken zeker tien karakters bij mij in. Mensen die ik met de jaren in de Achterhoek ben tegengekomen en die na een sluimerend bestaan bij me aanklopten omdat de tijd daarom vroeg. Ze waren verbaasd over de woede in onze samenleving, verontrust over het klimaat en alle beperkende maatregelen die ons te wachten staan. Ze trokken aan mijn mouw en sleepten me mee naar een nabije toekomst waarin de kiezers schreeuwen om orde in de sociale media en orde in het land. Was er nog ruimte voor dwarsdenkers? En in hun kielzog stond ook nog een president die zich zelfgenoegzaam op de borst sloeg. Ik heb ze allemaal een stoel aangeboden en hun verhalen opgetekend. We hebben gelukkig heel wat afgelachen. Vooral om onszelf. De lachspier behoeft ook onderhoud.

Adriaan van Dis, januari 2021

Adriaan van Dis (1946) groeide op in Bergen, te midden van halfzussen en ouders met een Indische (oorlogs)geschiedenis. Hij debuteerde in 1983 met de novelle Nathan Sid, bekroond met het Gouden Ezelsoor. Daarna schreef hij nog vele romans, reisverhalen en ook een kinderboek, Adje is heel druk. De roman Ik kom terug (2014) werd in 2015 bekroond met de Libris Literatuur Prijs. In datzelfde jaar ontving Van Dis de Constantijn Huygensprijs voor zijn hele oeuvre. Zijn boeken zijn in vele talen vertaald. In februari 2021 verscheen zijn nieuwste roman KliFi.

Mensje van Keulen

Foto: Bianca Sistermans


Ooit schreef ik het verhaal De kunst van het kijken. Ik vertel daarin hoe de directeur van mijn middelbare school me, nadat ik had gespijbeld, bij zich liet komen. Kalm zei hij: ‘Kijk naar dit bureau. Kijk naar mijn pen op dit bureau.’ Hij pufte even aan zijn pijp. ‘Kijk naar het raam achter me. Kijk naar de kastanjeboom daarachter.’ Puf puf. ‘Kijk naar die boom en neem de schoonheid ervan in je op. Ervaar de kunst van het kijken. Het maakt het leven zoveel rijker. Kijk naar de dingen. Puf puf. Kijk naar mij. Kijk naar mijn oren, mijn neus, mijn pijp. Kijk niet zolang als nodig is, maar kijk langer, kijk beter, en je ziet steeds meer.’

Ik beschreef dat ik, terwijl ik naar hem keek, me voorstelde hoe het zou zijn als die brave man bij zijn vrouw in bed lag, hoe hij gestoord werd door het gedrein van een van zijn elf kinderen en hoe, toen hij weer rustig in bed lag, op de stoep voor zijn huis een man opdook met een tas waarin een ruitentikker en een breekijzer zaten. De man kon ook nog een mes bij zich hebben en een touw om de directeur vast te binden, rug aan rug met zijn vrouw. En dan waren de kindertjes aan de beurt, een voor een.

In werkelijkheid herinnerde ik me dat de directeur me bij zich liet komen en opmerkte dat ik goed moest opletten, maar hoe hij dat precies heeft verwoord wist ik niet meer.

Lang niet altijd is het de flard van een herinnering die de verbeelding zijn gang laat gaan, het kan een voorwerp zijn, een paar woorden die ik opvang, of het komt, en dat is meestal het geval, zomaar uit het niets. Zo doemde de vrouw in het titelverhaal van de bundel Ik moet u echt iets zeggen op en ze bleef dat doen met haar schrijnende geschiedenis, steeds sterker. Ook de vrouw die vier mannen in een zomerhuisje ontvangt kreeg me op die manier te pakken, en de vrouw die haar ring verliest en het haar man niet durft te vertellen, en de weduwnaar die een ongewone dag beleeft, enz.

Ik zie de personages in hun verhaal, nu eens vaag, dan weer helder, voor me. Ze verrassen me, laten me schrikken, vrolijken me op, houden me uit mijn slaap (wat prettig kan zijn). Het is het geestesoog dat kijkt, maar de verbeelding heeft legio kronkelwegen in petto. Aan mij de keuze als ik de pen oppak.

Mensje van Keulen, maart 2021

Mensje van Keulen debuteerde in 1972 met Bleekers zomer en kreeg in 2014 de Constantijn Huygensprijs. Begin dit jaar ontving ze de J.M.A. Biesheuvelprijs voor Ik moet u echt iets zeggen. Volgens de jury imponeerde de bundel ‘met haar ongekend natuurlijk klinkende dialogen, geraffineerde plots die telkens naar een even verrassende als bevredigende ontknoping toewerken en psychologische schetsen die in een paar nonchalante zinnen een compleet universum suggereren.’

Evelien van Dort

Foto © Chris van Houts


There are two things we should give our children: one is roots and the other is wings – H. Carter

Deze uitspraak van H. Carter inspireert mij om mijn bijdrage aan ‘de kunst van het schrijven’ te verwoorden. Een verhaal voor kinderen heeft roots en wings nodig. Deze roots zijn het fundament van het verhaal. Een stevige herkenbare basis voor de jonge lezer. Wings interpreteer ik als de broodnodige fantasie en creativiteit. Jonge kinderen hebben nog een vanzelfsprekend magisch bewustzijn vol verwondering en bewondering.

De eerste zin van het verhaal moet pakkend zijn. Een voorbeeld: ‘Mogen ouders hun kinderen zomaar op reis meenemen, net als een koffer die je achter je aantrekt. Nou ik vind van niet.’ Citaat (eerste zin) uit mijn serie: Robins reisavonturen, Kamperen in Kenia.

Kies in het verhaal voor een of twee hoofdpersonen, dan kun je de karakters van deze personen met beperkte woorden verdieping geven. Geen bange of juist stoere clichéfiguren, de wereld is niet zwart-wit. Ieder kind is op zoek naar zichzelf, naar zijn eigen kleurrijke binnenwereld. En juist in die zoektocht kan een kind zichzelf herkennen. Een duidelijke opbouw geeft ook stevigheid, de lezer kan meebewegen en ook verrast worden. Want spanning, in de zin van nieuwsgierigheid, is een must voor iedere jonge lezer.

Mijn gouden sleuteltje is om tijdens het schrijven in de juiste stemming te zijn, om mijn binnenwereld in woorden te delen met het papier. Als ik vertrouwen heb in mijn verhaal en op dat moment ook in mezelf, neemt het verhaal altijd een verrassende wending. Het plot dat ik niet van tevoren heb bedacht, geeft dan veel blijdschap. Voor de zoveelste keer lees ik het manuscript door, ook hardop. Ik verwijder overbodige zinnen. In één keer iets verwoorden, geeft mij als auteur roots en wings om mijn manuscript naar de uitgever te sturen en met mijn boek kinderen te inspireren.

Evelien van Dort schreef onder andere Kamperen in Kenia, Actie op Aruba en de verhalenbundel Wil je mijn vriendje zijn? Inmiddels heeft ze ruim tachtig kinderboeken gepubliceerd; een aantal van haar boeken zijn in zes talen verschenen. ‘Historie om de hoek’  heeft ze verwerkt in kinderboeken die zich in Zutphen en omgeving afspelen.

Naast het auteurschap zet Evelien zich in voor leesbevordering in binnen en buitenland. Voor volwassenen schreef ze vanuit haar ervaring en kennis als kinderfysiotherapeute een ‘gids’ voor ouder en leerkrachten over het belang van bewegen en beleven van kinderen. Voor haar literaire inzet heeft Evelien een koninklijke onderscheiding, ridder in de Orde van Oranje-Nassau ontvangen.

Pauline Slot


1.  Leid de lezer rond

Wie een roman openslaat, ontwaakt als uit een coma: je hebt geen idee waar je bent. Gelukkig zegt de schrijver snel wat er aan de hand is. Zoals Ian McEwan doet met de eerste zin in Aan Chesil Beach, vertaald door Rien Verhoef:

‘Ze waren jong, welopgevoed en allebei nog maagd op deze avond voor hun huwelijksnacht, en ze leefden in een tijd dat een gesprek over seksuele problemen ronduit onmogelijk was’.

Een luttele negenentwintig woorden en daar zitten we dan, met een zenuwachtig stel uit een goed milieu, in een voorbije tijd. En we weten zeker dat het hommeles gaat worden.

2.  Spring in bij sprongen

Na het wiel is de alinea misschien wel de grootste menselijke uitvinding. Alinea’s (met een inspringing, niet met de witregel van het web) tonen sprongen, klein en groot.
Bijvoorbeeld een tijdsprong (‘Tien minuten/jaar later zag hij haar weer’).
Of een terugkeer in het heden na een flashback (‘Ook vandaag had hij datzelfde jasje aan’).
Of een inzoommoment (‘Het huis lag aan een brede straat, en aan beide zijden…’)
Of dat hij iets zegt, en dan zij.
Wat voor sprong het ook maar is, de lezer wil die niet alleen verbaal opmerken, maar ook zien. Kwestie van rust, reinheid en regelmaat.

3.  Luister naar het ritme

Een beat als in Donna Summer-discohit hoeft natuurlijk niet, maar ritme in zinnen is lekker. ‘Niet met de witregel van het web’ klinkt bijvoorbeeld beter dan ‘Niet met de witregel van het internet’. En je pakt ook nog een alliteratie mee.

Pauline Slot schreef zeven romans en drie non-fictieboeken, waaronder ZuiderkruisSoerabajaDe hond als medemens en, meest recent, Dood van een thrillerschrijfster. Die laatste roman gaat over een schrijfretraite in Griekenland en biedt een mooie inkijk in het schrijversvak. Begin 2019 verschijnt Eerste liefde, laatste hart, memoires over een jeugdliefde. Pauline Slot doceert creative writing aan de Universiteit Leiden, de Schrijversvakschool en bij Editio.

Haar eigen website vindt u hier.

Pauline de Bok

Foto © Jan Banning


Een tekst is geen abstractie. Je leest hem met je ogen, er zijn woorden die er mooi uitzien, zoals kikker en spijt, gnuiven en zaniken, vierkantswortel, modder en wiedeweerga.

Woorden hebben niet alleen een visuele verschijningsvorm, je hoort ze al lezend ook met je innerlijk oor, daar leeft de poëzie van, o krinklende, winklende waterding. Een tekst sleept of hamert, jammert of juicht, een tekst heeft ritme, herhaalt, laat weg, je hoort hem zelfs tussen de regels door klinken. En meer. Je proeft hem, ruikt hem, voelt hem; hij smaakt naar meer of je worstelt er doorheen.

Het verbaast me nog elke dag hoe tekst tot stand komt. Als schrijver heb je er maar half grip op, je behelpt je met wisselende do’s en don’ts. Hier een paar favorieten van het moment:

Schrijf concreet en met je al zintuigen.

Draai geen krullen in je zinnen, wees zuinig met beelden en laat ze al helemaal niet over elkaar buitelen, want een metafoor moet de tijd krijgen om weg te ebben. (Kijk, dat bedoel ik nou: krullen draaien, over elkaar buitelen en wegebben, wat gebeurt hier, waar zijn we in vredesnaam: bij de kapper, in de speeltuin of aan zee?)

Mijd lege woorden vol bepaalde mogelijkheden, operationele opties, intermenselijke communicatie.

Doe niet moeilijk, want als het je niet lukt iets eenvoudig op te schrijven, dan kun je al helemaal geen moeilijke zinnen aan.

Probeer geen indruk te maken, laat niemand meekijken over je schouder, maar daal af in jezelf en zoek en probeer, verwerp, en probeer opnieuw.

Leg weg, laat met rust. Kijk er later weer naar, met een koud oog en vreemde oren. Tot het goed is, goed genoeg.

Pauline de Bok schreef onder andere Steden zonder geheugen. In het voetspoor van Isaac Babel, Doodsberichten, Blankow of het verlangen naar Heimat, de roman De jaagster en Buit. Een jachtjaar. Voor De jaagster haalde ze haar Duitse jachtdiploma. Zowel Blankow als Buit verschenen ook in Duitsland. Naast haar eigen werk vertaalt ze Duitse literatuur. Ze geeft les op de Vertalersvakschool en woont afwisselend in Amsterdam en op het Mecklenburgse platteland, waar haar laatste boeken zich afspelen. Haar website vind je hier.

Martine Letterie

Foto © Mark Sassen

 


 

Sjoerd Kuyper zei ooit in een interview dat kinderboeken niet bestaan. Met die aanduiding worden immers boeken bedoeld die zowel door kinderen als volwassenen gelezen kunnen worden. Volgens hem zou er dus voortaan een onderscheid gemaakt moeten worden tussen boeken en volwassenenboeken. Dat lijkt me een goed plan, maar die omslag in denken zal ik in dit korte stukje niet van u vragen.

Dus blijft de vraag welke tips ik kan geven voor het schrijven van kinderboeken. Paul Biegels standpunt was dat ‘kinderboeken net zo mooi geschreven en uitgegeven moesten worden als volwassenenboeken’ en dat ben ik geheel met hem eens. Dus alle tips die mijn voorgangers op deze plaats hebben gegeven, gelden ook voor kinderboeken. Wat betreft onderwerpen en thema’s is er in principe geen taboe; uw aanpak zal bepalen of het uiteindelijk een boek wordt, of een volwassenenboek. Het bekroonde Doodgewoon van Bette Westera en Ingrid Godon is bijvoorbeeld een prachtig boek over de dood, dat laat zien dat de dood gewoon bij het leven hoort. Het wordt door zowel kinderen als volwassenen gewaardeerd.

De grootste valkuil is, dat u uzelf of uw toekomstige lezer niet serieus neemt. Een boek schrijven, dat doe je er niet even bij. Ook niet als het ‘alleen maar’ voor kinderen is.

Verdiep u van tevoren in uw onderwerp, lees wat hierover verschenen is voor kinderen – er is namelijk al ontzettend veel – en bedenk wat uw invalshoek uniek maakt. Tijdens het schrijven is het belangrijkste misschien wel dat u contact zoekt met het kind in uzelf. Zoals Erich Kästner zei: ‘Nur wer erwachsen wird und Kind bleibt, ist ein Mensch.’
Maar… u kunt dit natuurlijk ook allemaal terzijde schuiven en prinses of anderszins bekende Nederlander proberen te worden. Dan kunt u geheel (laten) schrijven wat maar in u opkomt!

Martine Letterie (Amsterdam, 1958) groeide op in Voorburg en studeerde Nederlandse Taal- en Letterkunde in Utrecht. Daarna stond ze ruim twaalf jaar voor de klas als lerares Nederlands op mavo, havo, vwo, meao en gaf de laatste vier jaar daarvan jeugdliteratuur op de Pabo in Doetinchem. Sinds haar eerste jeugdboek in 1996 is ze fulltime schrijver.

Inmiddels heeft ze al meer dan honderd boeken geschreven voor verschillende leeftijden. In 2015 is haar eerste non-fictieboek voor volwassenen verschenen: De genen van mijn vader, een familiegeschiedenis van 400 jaar. In 2017 is Kinderen met een ster met een Zilveren Griffel bekroond. Haar website vindt u hier.

Ton Vogels

Foto © Mathijs Hanenkamp


Wacht niet op inspiratie. Begin
De eerste tip voor aspirant-schrijvers is meteen de belangrijkste. Wacht niet op inspiratie, maar begin met schrijven. Ik merk zelf dat ideeën zelden uit het niets ontstaan. Natuurlijk, soms is er een zin, een woord of een beeld dat je aan het denken zet.

Toch is schrijven vooral het resultaat van schrijven. Dat klinkt misschien wat raadselachtig. Ik bedoel daarmee dat je vaak goede ideeën krijgt tijdens het schrijven. Je zit in een scène en je schudt de zinnen, plotwendingen en verrassende personages uit je mouw.

Onzichtbare structuur en het gouden detail
Schrijver A.F.T.H van der Heijden was te gast bij het televisieprogramma College Tour. Een student vroeg hem om tips voor beginnende schrijvers. ‘Gebruik een onzichtbare structuur en het gouden detail,’ was zijn antwoord.

Dat is de spijker op zijn kop. Alleen een dwaas denkt dat een verhaal geen structuur nodig heeft. Dat je het wel redt met een formidabele stijl. Dat is echter slechts voor weinigen weggelegd.

Werk daarom met een plan, met een structuur. Een waarschuwing daarbij: een onzichtbare structuur is iets anders dan geen structuur. Een onzichtbare structuur betekent dat je lezer of publiek niet in de gaten heeft dat jij een route in je hoofd hebt. Geen structuur is als die oom die op een verjaardag maar door blijft praten over … ja, waarover eigenlijk?

Wees secuur in je formulering
Tot slot de stijl. Een goed boek is goed geschreven. Heel vaak kom ik nog formuleringen tegen die gewoon niet kunnen. Dat is een gebrek aan aandacht van de schrijver.

Zo worden uitdrukkingen als ‘letterlijk’ en ‘figuurlijk’ vaak verkeerd gebruikt, ook in de spreektaal. Mensen gebruiken ‘letterlijk’ om aan te geven dat iets écht is gebeurd. Maar muren die letterlijk op je afkomen, of een brok die letterlijk in je keel zit is toch wat onwaarschijnlijk.

Nog zo’n misser: ‘sist hij’. Je leest het wel eens als toevoeging wanneer een personage iets zegt. Sissen betekent dat je (letterlijk) een s-klank maakt. ‘Wees stil’ kun je dus sissen. Maar in ‘Kappen nu’ zit geen enkele s. Dat is lastig sissen.

Ton Vogels schreef twee romans: De duivel van Vico en Wolfskind. Op dit moment werkt hij aan een Young Adult-boek. Daarnaast geeft Ton trainingen op het gebied van helder schrijven en helder denken. Zijn website vindt u hier.

Inschrijven nieuwsbrief