Slider

Nieuwsarchief

Eerdere schrijftips

Ad ten Bosch

Foto © J.W. Kaldenbach


Wat mij op weg hielp was de opmerking een verhaal te beginnen alsof je een brief aan een vriend schrijft. Je hebt dan meteen de toon te pakken die bij je past, want daar moet je het van hebben, je moet dicht bij jezelf blijven en alleen gebruiken wat van jou is. In het begin is het misschien onvermijdelijk in vocabulaire of stijl iets over te nemen van de schrijver die je bewondert, om op gang te komen, maar zodra je meer ervaring hebt, zal dat verdwijnen. Dan voel je namelijk dat je het zo niet wilt zeggen, dat het jouw vocabulaire of stijl niet is, dat je leentjebuur speelt. Je stelt jezelf teleur en alle moeite die je je verder moet getroosten om een verhaal of roman te schrijven loont op den duur niet.

Wanneer de formuleermachine op gang is gebracht, begint het pas. Wat wil je zeggen? Vind je het alleen maar leuk om te schrijven of ligt daar ook een zekere noodzaak aan ten grondslag? Zonder dat laatste loop je gauw de kans jezelf te vervelen, om maar te zwijgen van de lezer. Bij schrijven vanuit een innerlijke noodzaak, denk je niet aan een lezer. Alle aandacht en concentratie gaan uit naar wat je te vertellen hebt, en mocht de taal niet over de woorden beschikken om vorm te geven wat je wilt zeggen, dan verzin je maar nieuwe.

Wie schrijft heeft alleen aan zichzelf verantwoording af te leggen. Werk naar eer en geweten, dan heb je jezelf niets te verwijten, hoe de kritiek ook uitvalt. Je hebt alles gegeven, en je weet dat je het op dat moment niet beter kon. Lees in het beginstadium alle kritieken, hoe vervelend ook, je leert ervan en het komt je volgende verhaal ten goede. Scherpe kritiek mag je echter niet ontmoedigen, tenzij je geen schrijver bent.

Ad ten Bosch is uitgever, boekhandelaar en schrijver. Hij was gedurende enkele jaren eigenaar van uitgeverij Athenaeum – Polak & Van Gennep en eigenaar van de boekhandel Van Someren & Ten Bosch. Hij schreef onder andere De IJssel stroomt feller dan de Amstel (Van Oorschot, 2019).

Annegreet van Bergen

Foto © Ingrid Zweverink


Wat is mijn doelgroep? Dat vraag ik me bij het schrijven altijd af. In negen van de tien gevallen is dat voor mij het algemene publiek. Dat was al zo toen ik in 1982 als pas afgestudeerde econoom bij de Volkskrant begon. Daar op de financiële redactie vonden ze dat ook iemand met 4-HAVO je verhalen moest kunnen begrijpen. Nog steeds heb ik die ambitie, waarbij ik het een sport vind om  laagdrempelig te schrijven zonder dat academici of hbo’ers dat merken.

Ik vermijd moeilijke woorden (of leg ze uit) en knip een zin, wanneer hij te lang wordt, in tweeën. Taal is voor mij een vehikel, een middel om een verhaal te vertellen. Taal is geen doel op zich. Als ik ze al kon verzinnen, dan nog zou ik niet strooien met ingenieuze taalkunstjes of knappe woordspelingen. De schoonheid van taal kan namelijk ook afleiden. Mijn lezers hoeven niet steeds te verzuchten ‘wat zegt ze dat toch mooi’. Ik hoop hooguit dat ze achteraf denken ‘wat is dat prettig geschreven’.

Voordat ik echt ga schrijven, laat ik mijn gedachten over de mogelijke onderdelen van het verhaal gaan, het liefst op de fiets of tijdens een wandeling. Wat er dan precies gebeurt weet ik niet, maar na verloop van tijd ontstaat de verhaallijn vanzelf. De belangrijkste punten noteer ik met pen op papier. Intussen fladderen er zinsneden in mijn hoofd, later hele zinnen. Dan ga ik achter mijn computer zitten en begint het feitelijke schrijven. Wanneer er een ruwe schets op het beeldscherm staat, ga ik ‘tutten’. Ik schuif met tijd- en plaatsbepalingen, gooi zinnen om, kies andere woorden. Na heel wat schuren, schaven en schilderen (en vaak een paar nachtjes slapen) heb ik een tekst waarvan ik hoop dat hij mijn bedoelingen helder aan de lezer overbrengt.

Anders dan vroeger bij de Volkskrant neem ik nu ruim de tijd om een verhaal te schrijven. Mijn belangrijkste tip: stel niet uit, ga bijtijds aan de slag, wanhoop niet en blijf rustig zoeken naar de juiste woorden om je verhaal te vertellen. Omdat mijn echtgenoot P. een neus heeft voor te grote gedachtesprongen, vraag ik hem altijd mijn stukken als eerste te lezen. Nog een tip: zoek een lieve, maar kritische eerste lezer.

Annegreet van Bergen (Enschede, 1954) is econoom en journalist. Ze werkte voor onder andere de Volkskrant en Elsevier en was van 2006 tot 2015 columnist van de Stentor. Ze is auteur van de bestsellers De lessen van burn-out, Gouden jaren en Het goede leven.

Caspar Janssen


Als kind wilde ik drummer worden. Hele namiddagen en vroege avonden zat ik met potloden een drumstel te bespelen dat bestond uit busjes, kopjes, glazen, doosjes en schoolboeken. Maar een echt drumstel kwam het huis niet in, besloten mijn ouders, vanwege de buren. Die beslissing hakte er flink in.

Toen ik later ging schrijven merkte ik dat ook schrijven alles met ritme te maken heeft. Schrijven is een kwestie van de aandacht vasthouden. De kunst is om in te schatten wanneer en waarom je zelf afhaakt bij een tekst die je produceert. En om dat toe te geven. Zo zit ik vaak in mezelf pratend gebogen over mijn teksten: Nee, nu wordt het langdradig, en nee, dit is te stroef geformuleerd, of nee, te veel informatie in een zin, nu dwaal je te ver af, of nee, dit is larmoyant, of nee, dit is een cliché. Het tegendeel kan ook gebeuren, dat je geraakt wordt door een tekst die je zojuist hebt neergeschreven. Dat is het hoogst haalbare.

Bij alles wat ik schrijf probeer ik het ritme te zoeken dat bij het onderwerp past. Afgelopen jaren schreef ik over het landschap, ik liep door Nederland en schreef korte stukjes over wat ik zag en hoorde. Het ritme van het landschap – en mijn eigen looptempo – had zijn weerslag op de taal. Het ging op en af, kronkelend, soms even recht vooruit, met gezwinde pas of met gestrekt been, dan even stilstaand, dan weer werd het tijd voor een zijweggetje, dan was het lang, dan weer kort. Het doel is dat de lezer het gevoel heeft dat hij of zij meeloopt.

De moeilijkheid bij het schrijven over landschap en natuur is dat er weinig pratende personages voorhanden zijn. De kunst is om die niet in mensentaal sprekende omgeving op papier tot leven te brengen, om de lezer dat landschap in te leiden en te laten beleven. En om de spanning vast te houden. Dat kan alleen door zorgvuldig taalgebruik en door afwisseling. Wat je ook kunt zeggen: schrijven draait om ritme, om variatie, om tempowisselingen. Verrassende wendingen, originele taalvondsten, het zijn allemaal bruikbare instrumenten, mits ze in dienst staan van het verhaal, mits je er geen valse noten mee produceert. Ik hou het mezelf graag voor: schrijven is net muziek maken. Al is het maar omdat ik zo, voor mijn gevoel, toch nog een beetje drummer ben geworden.

Caspar Janssen is journalist (o.a. voor de Volkskrant) en schrijver. Hij schrijft over natuur, dieren, wilde planten, landschap en de rol van mensen daarin. Vaak is hij op pad, maar hij verblijft ook graag op zijn balkon, waar hij een insectenparadijs probeert te creëren.

Gerdien Verschoor

Foto © Wim Bannink


Het is op de kop af tien jaar geleden dat ik me terugtrok in Kraków om mijn eerste roman te schrijven. Ik had tien weken, en na die tien weken moest er een eerste versie van mijn boek zijn dat al een tijd in mijn hoofd zat. Dat lukte: door een schema en door discipline. En natuurlijk vooral door heel veel plezier te hebben in het schrijven van mijn roman.

Voordat ik vertrok, had ik op een grote rol papier een raster getekend: zeven hoofdstukken maal zeven scènes per hoofdstuk, 49 vakken. Ik had berekend dat als ik tweeduizend woorden per scène zou schrijven, ik uit zou komen op zo’n honderdduizend woorden, waarvan ik er in klad zo’n dertigduizend had. Bij duizend woorden per dag zou ik tijdens mijn sabbatical een eerste versie van het boek kunnen schrijven. Ik schreef de scènes in steekwoorden (‘kind ondersteboven geboren’ ‘schoenlapper’ ‘engel smijt met stenen’) op post-its en plakte die op het papier, mijn storyboard, in de hoofdstukken waar ze terecht zouden moeten komen. Het schema ging opgerold in mijn koffer en heeft alle schrijfweken in Kraków en later weer thuis boven mijn bureau gehangen. Ook bij mijn latere boeken maakte ik gebruik van een storyboard.

De eerste drie weken in Kraków heb ik in een flow geschreven, scène na scène. ’s Nachts kon ik niet slapen en schreef ik door in mijn hoofd. Nieuwe scènes, nieuwe personages, beelden, verhalen, plotjes kwamen uit het niets tevoorschijn en die kregen weer een plek op het storyboard, dat voortdurend veranderde (totdat het zijn vaste vorm kreeg). Om in die flow te komen, had ik discipline nodig: geen internet, geen telefoon in de buurt, vaste schrijfuren. En het belangrijkste: ik mocht iedere dag pas stoppen met schrijven als ik die duizend woorden had, of ze nu goed of slecht waren. En het lukte! Na tien weken stond er een eerste versie van De draad en de vliegende naald op papier.

Iedere schrijver heeft zijn eigen manier. Maar voor iedere schrijver geldt: schrijf! Wees niet bang, pak je pen, en schrijf! Laat je niet afleiden, geloof in jezelf, en schrijf!

Gerdien Verschoor is  kunsthistoricus en auteur.  Ze woonde en werkte jarenlang in Polen. Kunst, literatuur en de geschiedenis van Midden-Europa zijn haar belangrijkste inspiratiebronnen. Vaak speelt in haar werk de Tweede Wereldoorlog een rol van betekenis. Gerdien heeft haar schrijverschap jarenlang gecombineerd met haar baan als directeur van CODART het internationale netwerk van museumconservatoren van Nederlandse en Vlaamse kunst. Sinds 1 juli 2019 is ze directeur van Herinneringscentrum Kamp Westerbork.

Menno Tamminga


‘Het was een hel toen de Canadezen door de gangen schoten,’ schreef een arts op Het Groot Graffel in zijn dagboek. ‘Vrij – wat waren we dankbaar, we hadden teveel doorgemaakt om vrolijk te zijn,’ schreef mevrouw Nuy in de kelder van het modemagazijn in de Korte Hofstraat.

Het begon eind 2018 als een overzichtelijk project dat niet veel tijd hoefde te kosten. Een artikel voor het tijdschrift Zutphen van 2.500 woorden. Ik wilde aan de hand van dagboekfragmenten uit maart en april 1945 over de bevrijding van Warnsveld en Zutphen vertellen. Hoeveel publiek toegankelijke dagboeken zouden er zijn? Op de redactie van het tijdschrift kwamen we op drie à vier.

Het bleken er meer dan twintig te zijn. Van een gevangengenomen koerierster van het verzet tot een Joodse onderduiker, van een arts op Het Groot Graffel tot een dramatische brief uit De Hoven: gewone Zutphenaren, jong en oud. Ploeterend door de soms pietepeuterige handschriften, werd ik verrast en soms ontroerd door wat hier was gebeurd.

Als journalist bij NRC zijn de deadlines kort: soms een paar uur. Maar ach, de deadline voor dit boek was zo ver weg: april 2020. Toch werd het een wedloop tegen de tijd en een aanslag op vakantiedagen en weekeinden. Ik wilde steeds meer. Het is maar één keer 75 jaar bevrijding, toch? Ik schreef uiteindelijk op basis van dagboeken mijn boek Wij zijn vrij!, over de bevrijding van Warnsveld, Zutphen en De Hoven. En daarnaast nog een spin-off over de onderduik van de Joodse familie Elzas in Zutphen en Brummen, met als titel Het geheime luik. En dat ene artikel voor het tijdschrift Zutphen: dat werden er vier.

Met voorpret keek ik uit naar eind februari: het eerste weekend zonder werk voor de bevrijdingsprojecten. Toen kwam de coronacrisis. De presentaties van de boeken werden afgelast, de lezing ook. Jammer, maar een nietig voorval in deze pandemie. Toch was het zo’n mooi moment geweest om de mensen te bedanken die me hadden geholpen.

En nu? Thuis werken. M’n keukentafel is m’n werkplek. Elke ochtend overleg ik met zo’n twintig NRC-collega’s in een videoconferentie. Wie doet wat? Welke onderwerpen? Jonge collega’s gidsen me door een digitaal abracadabra van moderne communicatiekanalen.

Het virus schept verwarrende tijden. Als het een jaar geleden was gekomen, had ik de boeken niet geschreven. Andere prioriteiten. Maar er zijn opeens ook raakvlakken met 75 jaar geleden. De omstandigheden zijn totaal verschillend en onvergelijkbaar, maar de gevoelens waar de auteurs van de dagboeken vol van zijn, onzekerheid, kwetsbaarheid, dreiging en angst – die zijn de laatste weken zoveel indringender en herkenbaarder geworden.

De bevrijding bracht een ontlading van onderlinge hulp en vreugde. Zoveel was kapot in Zutphen, maar zoveel is weer opgebouwd. Kijk naar de foto’s van 1945 in Wij zijn vrij! en dan naar hoe het nu is. Wat zij toen konden, kunnen wij nu ook.

Menno Tamminga is econoom en journalist. Voor NRC schrijft hij over ondernemingsbeleid en economie.

Evelien van Dort

Foto © Chris van Houts


There are two things we should give our children: one is roots and the other is wings – H. Carter

Deze uitspraak van H. Carter inspireert mij om mijn bijdrage aan ‘de kunst van het schrijven’ te verwoorden. Een verhaal voor kinderen heeft roots en wings nodig. Deze roots zijn het fundament van het verhaal. Een stevige herkenbare basis voor de jonge lezer. Wings interpreteer ik als de broodnodige fantasie en creativiteit. Jonge kinderen hebben nog een vanzelfsprekend magisch bewustzijn vol verwondering en bewondering.

De eerste zin van het verhaal moet pakkend zijn. Een voorbeeld: ‘Mogen ouders hun kinderen zomaar op reis meenemen, net als een koffer die je achter je aantrekt. Nou ik vind van niet.’ Citaat (eerste zin) uit mijn serie: Robins reisavonturen, Kamperen in Kenia.

Kies in het verhaal voor een of twee hoofdpersonen, dan kun je de karakters van deze personen met beperkte woorden verdieping geven. Geen bange of juist stoere clichéfiguren, de wereld is niet zwart-wit. Ieder kind is op zoek naar zichzelf, naar zijn eigen kleurrijke binnenwereld. En juist in die zoektocht kan een kind zichzelf herkennen. Een duidelijke opbouw geeft ook stevigheid, de lezer kan meebewegen en ook verrast worden. Want spanning, in de zin van nieuwsgierigheid, is een must voor iedere jonge lezer.

Mijn gouden sleuteltje is om tijdens het schrijven in de juiste stemming te zijn, om mijn binnenwereld in woorden te delen met het papier. Als ik vertrouwen heb in mijn verhaal en op dat moment ook in mezelf, neemt het verhaal altijd een verrassende wending. Het plot dat ik niet van tevoren heb bedacht, geeft dan veel blijdschap. Voor de zoveelste keer lees ik het manuscript door, ook hardop. Ik verwijder overbodige zinnen. In één keer iets verwoorden, geeft mij als auteur roots en wings om mijn manuscript naar de uitgever te sturen en met mijn boek kinderen te inspireren.

Evelien van Dort schreef onder andere Kamperen in Kenia, Actie op Aruba en de verhalenbundel Wil je mijn vriendje zijn? Inmiddels heeft ze ruim tachtig kinderboeken gepubliceerd; een aantal van haar boeken zijn in zes talen verschenen. ‘Historie om de hoek’  heeft ze verwerkt in kinderboeken die zich in Zutphen en omgeving afspelen.

Naast het auteurschap zet Evelien zich in voor leesbevordering in binnen en buitenland. Voor volwassenen schreef ze vanuit haar ervaring en kennis als kinderfysiotherapeute een ‘gids’ voor ouder en leerkrachten over het belang van bewegen en beleven van kinderen. Voor haar literaire inzet heeft Evelien een koninklijke onderscheiding, ridder in de Orde van Oranje-Nassau ontvangen.

Pauline Slot


1.  Leid de lezer rond

Wie een roman openslaat, ontwaakt als uit een coma: je hebt geen idee waar je bent. Gelukkig zegt de schrijver snel wat er aan de hand is. Zoals Ian McEwan doet met de eerste zin in Aan Chesil Beach, vertaald door Rien Verhoef:

‘Ze waren jong, welopgevoed en allebei nog maagd op deze avond voor hun huwelijksnacht, en ze leefden in een tijd dat een gesprek over seksuele problemen ronduit onmogelijk was’.

Een luttele negenentwintig woorden en daar zitten we dan, met een zenuwachtig stel uit een goed milieu, in een voorbije tijd. En we weten zeker dat het hommeles gaat worden.

2.  Spring in bij sprongen

Na het wiel is de alinea misschien wel de grootste menselijke uitvinding. Alinea’s (met een inspringing, niet met de witregel van het web) tonen sprongen, klein en groot.
Bijvoorbeeld een tijdsprong (‘Tien minuten/jaar later zag hij haar weer’).
Of een terugkeer in het heden na een flashback (‘Ook vandaag had hij datzelfde jasje aan’).
Of een inzoommoment (‘Het huis lag aan een brede straat, en aan beide zijden…’)
Of dat hij iets zegt, en dan zij.
Wat voor sprong het ook maar is, de lezer wil die niet alleen verbaal opmerken, maar ook zien. Kwestie van rust, reinheid en regelmaat.

3.  Luister naar het ritme

Een beat als in Donna Summer-discohit hoeft natuurlijk niet, maar ritme in zinnen is lekker. ‘Niet met de witregel van het web’ klinkt bijvoorbeeld beter dan ‘Niet met de witregel van het internet’. En je pakt ook nog een alliteratie mee.

Pauline Slot schreef zeven romans en drie non-fictieboeken, waaronder ZuiderkruisSoerabajaDe hond als medemens en, meest recent, Dood van een thrillerschrijfster. Die laatste roman gaat over een schrijfretraite in Griekenland en biedt een mooie inkijk in het schrijversvak. Begin 2019 verschijnt Eerste liefde, laatste hart, memoires over een jeugdliefde. Pauline Slot doceert creative writing aan de Universiteit Leiden, de Schrijversvakschool en bij Editio.

Haar eigen website vindt u hier.

Pauline de Bok

Foto © Jan Banning


Een tekst is geen abstractie. Je leest hem met je ogen, er zijn woorden die er mooi uitzien, zoals kikker en spijt, gnuiven en zaniken, vierkantswortel, modder en wiedeweerga.

Woorden hebben niet alleen een visuele verschijningsvorm, je hoort ze al lezend ook met je innerlijk oor, daar leeft de poëzie van, o krinklende, winklende waterding. Een tekst sleept of hamert, jammert of juicht, een tekst heeft ritme, herhaalt, laat weg, je hoort hem zelfs tussen de regels door klinken. En meer. Je proeft hem, ruikt hem, voelt hem; hij smaakt naar meer of je worstelt er doorheen.

Het verbaast me nog elke dag hoe tekst tot stand komt. Als schrijver heb je er maar half grip op, je behelpt je met wisselende do’s en don’ts. Hier een paar favorieten van het moment:

Schrijf concreet en met je al zintuigen.

Draai geen krullen in je zinnen, wees zuinig met beelden en laat ze al helemaal niet over elkaar buitelen, want een metafoor moet de tijd krijgen om weg te ebben. (Kijk, dat bedoel ik nou: krullen draaien, over elkaar buitelen en wegebben, wat gebeurt hier, waar zijn we in vredesnaam: bij de kapper, in de speeltuin of aan zee?)

Mijd lege woorden vol bepaalde mogelijkheden, operationele opties, intermenselijke communicatie.

Doe niet moeilijk, want als het je niet lukt iets eenvoudig op te schrijven, dan kun je al helemaal geen moeilijke zinnen aan.

Probeer geen indruk te maken, laat niemand meekijken over je schouder, maar daal af in jezelf en zoek en probeer, verwerp, en probeer opnieuw.

Leg weg, laat met rust. Kijk er later weer naar, met een koud oog en vreemde oren. Tot het goed is, goed genoeg.

Pauline de Bok schreef onder andere Steden zonder geheugen. In het voetspoor van Isaac Babel, Doodsberichten, Blankow of het verlangen naar Heimat, de roman De jaagster en Buit. Een jachtjaar. Voor De jaagster haalde ze haar Duitse jachtdiploma. Zowel Blankow als Buit verschenen ook in Duitsland. Naast haar eigen werk vertaalt ze Duitse literatuur. Ze geeft les op de Vertalersvakschool en woont afwisselend in Amsterdam en op het Mecklenburgse platteland, waar haar laatste boeken zich afspelen. Haar website vind je hier.

Martine Letterie

Foto © Mark Sassen

 


 

Sjoerd Kuyper zei ooit in een interview dat kinderboeken niet bestaan. Met die aanduiding worden immers boeken bedoeld die zowel door kinderen als volwassenen gelezen kunnen worden. Volgens hem zou er dus voortaan een onderscheid gemaakt moeten worden tussen boeken en volwassenenboeken. Dat lijkt me een goed plan, maar die omslag in denken zal ik in dit korte stukje niet van u vragen.

Dus blijft de vraag welke tips ik kan geven voor het schrijven van kinderboeken. Paul Biegels standpunt was dat ‘kinderboeken net zo mooi geschreven en uitgegeven moesten worden als volwassenenboeken’ en dat ben ik geheel met hem eens. Dus alle tips die mijn voorgangers op deze plaats hebben gegeven, gelden ook voor kinderboeken. Wat betreft onderwerpen en thema’s is er in principe geen taboe; uw aanpak zal bepalen of het uiteindelijk een boek wordt, of een volwassenenboek. Het bekroonde Doodgewoon van Bette Westera en Ingrid Godon is bijvoorbeeld een prachtig boek over de dood, dat laat zien dat de dood gewoon bij het leven hoort. Het wordt door zowel kinderen als volwassenen gewaardeerd.

De grootste valkuil is, dat u uzelf of uw toekomstige lezer niet serieus neemt. Een boek schrijven, dat doe je er niet even bij. Ook niet als het ‘alleen maar’ voor kinderen is.

Verdiep u van tevoren in uw onderwerp, lees wat hierover verschenen is voor kinderen – er is namelijk al ontzettend veel – en bedenk wat uw invalshoek uniek maakt. Tijdens het schrijven is het belangrijkste misschien wel dat u contact zoekt met het kind in uzelf. Zoals Erich Kästner zei: ‘Nur wer erwachsen wird und Kind bleibt, ist ein Mensch.’
Maar… u kunt dit natuurlijk ook allemaal terzijde schuiven en prinses of anderszins bekende Nederlander proberen te worden. Dan kunt u geheel (laten) schrijven wat maar in u opkomt!

Martine Letterie (Amsterdam, 1958) groeide op in Voorburg en studeerde Nederlandse Taal- en Letterkunde in Utrecht. Daarna stond ze ruim twaalf jaar voor de klas als lerares Nederlands op mavo, havo, vwo, meao en gaf de laatste vier jaar daarvan jeugdliteratuur op de Pabo in Doetinchem. Sinds haar eerste jeugdboek in 1996 is ze fulltime schrijver.

Inmiddels heeft ze al meer dan honderd boeken geschreven voor verschillende leeftijden. In 2015 is haar eerste non-fictieboek voor volwassenen verschenen: De genen van mijn vader, een familiegeschiedenis van 400 jaar. In 2017 is Kinderen met een ster met een Zilveren Griffel bekroond. Haar website vindt u hier.

Ton Vogels

Foto © Mathijs Hanenkamp


Wacht niet op inspiratie. Begin
De eerste tip voor aspirant-schrijvers is meteen de belangrijkste. Wacht niet op inspiratie, maar begin met schrijven. Ik merk zelf dat ideeën zelden uit het niets ontstaan. Natuurlijk, soms is er een zin, een woord of een beeld dat je aan het denken zet.

Toch is schrijven vooral het resultaat van schrijven. Dat klinkt misschien wat raadselachtig. Ik bedoel daarmee dat je vaak goede ideeën krijgt tijdens het schrijven. Je zit in een scène en je schudt de zinnen, plotwendingen en verrassende personages uit je mouw.

Onzichtbare structuur en het gouden detail
Schrijver A.F.T.H van der Heijden was te gast bij het televisieprogramma College Tour. Een student vroeg hem om tips voor beginnende schrijvers. ‘Gebruik een onzichtbare structuur en het gouden detail,’ was zijn antwoord.

Dat is de spijker op zijn kop. Alleen een dwaas denkt dat een verhaal geen structuur nodig heeft. Dat je het wel redt met een formidabele stijl. Dat is echter slechts voor weinigen weggelegd.

Werk daarom met een plan, met een structuur. Een waarschuwing daarbij: een onzichtbare structuur is iets anders dan geen structuur. Een onzichtbare structuur betekent dat je lezer of publiek niet in de gaten heeft dat jij een route in je hoofd hebt. Geen structuur is als die oom die op een verjaardag maar door blijft praten over … ja, waarover eigenlijk?

Wees secuur in je formulering
Tot slot de stijl. Een goed boek is goed geschreven. Heel vaak kom ik nog formuleringen tegen die gewoon niet kunnen. Dat is een gebrek aan aandacht van de schrijver.

Zo worden uitdrukkingen als ‘letterlijk’ en ‘figuurlijk’ vaak verkeerd gebruikt, ook in de spreektaal. Mensen gebruiken ‘letterlijk’ om aan te geven dat iets écht is gebeurd. Maar muren die letterlijk op je afkomen, of een brok die letterlijk in je keel zit is toch wat onwaarschijnlijk.

Nog zo’n misser: ‘sist hij’. Je leest het wel eens als toevoeging wanneer een personage iets zegt. Sissen betekent dat je (letterlijk) een s-klank maakt. ‘Wees stil’ kun je dus sissen. Maar in ‘Kappen nu’ zit geen enkele s. Dat is lastig sissen.

Ton Vogels schreef twee romans: De duivel van Vico en Wolfskind. Op dit moment werkt hij aan een Young Adult-boek. Daarnaast geeft Ton trainingen op het gebied van helder schrijven en helder denken. Zijn website vindt u hier.

Inschrijven nieuwsbrief