Slider

Nieuwsarchief

Nieuwsarchief

berg 186

Ine over De levende berg van Nan Shepherd

‘Haast heeft in deze heuvels niets te zoeken.’
In de jaren veertig schreef Nan Shepherd een boek over de Cairngorms, een ongerepte bergketen in het noordoosten van Schotland. Ze liet het manuscript in een la liggen en publiceerde het pas in 1977. Het werd onmiddellijk herkend als een van de belangrijkste natuurboeken ooit. Onlangs verscheen De levende berg voor het eerst in Nederlandse vertaling, met een inleiding van Robert Macfarlane, die dit wonderschone boek wel twaalf keer las. Voor mij was het de eerste kennismaking en ik moet zeggen dat ik nooit eerder zóiets bijzonders las. Puur en gestileerd, concreet en mysterieus, lichamelijk en contemplatief – De levende berg is alles tegelijk.

In de beperking toont zich de meester; Shepherd beschrijft alleen wat ze ziet, hoort en ervaart. Het klimmen maakt haar ‘kalm als de stenen’. Er is geen moraal, geen uitgesproken les ‒ er is alleen natuur. ‘Het rivierwater doet niets, absoluut niets, dan zijn wat het is.’ De berg doorgronden, dát is wat ze wil. Louter waarnemen, ongehinderd door gedachten, en leven in de heldere eenvoud van haar zintuigen. De tast, schrijft ze, is het meest intieme zintuig: ‘Ik trek met blote benen dwars door de hoge hei om te voelen hoe nat die is.’ Ze neemt je mee in een wolk: ‘alleen in een witheid’, beschrijft de kleur van water: ‘groen als dat van de winterhemel’, de kwaliteit van het licht: ‘helder zonder scherp te zijn’, de snelle en onvoorspelbare veranderingen in het weer: ‘de gesel van de elementen.’ Ze schrijft over volharding en geduld, over stilte, eenvoud en mysterie. Over planten als rolklaver, tormentil en kleine heidebrem. Over dieren als de arend, het edelhert en de sneeuwhaas. ‘Het verwerende gesteente, de voedende regen, de leven gevende zon, het zaad, de wortel, de vogel – alle zijn één.’ Maar ook: hoe meer je weet, hoe raadselachtiger de berg wordt.

De levende berg, prachtig vertaald door Pauline Slot, is een boek dat je langzaam moet proeven. Het vereist aandacht en concentratie. Maar als je het uit hebt, kijk je nooit meer op dezelfde manier naar water, stenen, licht, lucht, planten, dieren.

patchett tip

Ine over Het Hollandse huis van Ann Patchett

In één ruk heb ik Het Hollandse huis uitgelezen, de nieuwe roman van Ann Patchett, schrijver en boekhandelaar uit Nashville. Een razend knap geschreven en onweerstaanbare pageturner met psychologische diepgang en intrigerende vragen. Wie is belangrijker: je vrouw of je zus? Is een moeder die haar kinderen in de steek laat slechter dan een vader die hetzelfde doet? Kun je het verleden zien zoals het werkelijk was?

In Het Hollandse huis kijkt Danny, gediplomeerd arts, maar in het dagelijks leven makelaar in vastgoed, terug op zijn leven. Danny en zijn zeven jaar oudere zus Maeve zijn op jonge leeftijd door hun moeder verlaten. Waarom ze wegging is een raadsel. Na het plotseling overlijden van hun vader worden Danny en Maeve door hun stiefmoeder op straat gezet en hebben ze alleen elkaar nog. Wat volgt is een prachtige vertelling over familiebanden, een ingewikkelde jeugd en de nasleep daarvan.

Patchetts grote verdienste is dat ze niet-alledaagse gebeurtenissen heel herkenbaar en invoelbaar maakt. Maar haar grootste talent zit voor mij in haar personages, van wie je als lezer onvoorwaardelijk kunt houden. Danny’s warme vertelstem neemt je vanaf de allereerste zin voor hem in en zus Maeve is ook zo’n prettige persoonlijkheid, van wie je alles wilt weten. En dan is er het Hollandse huis, waar ze hun kindertijd doorbrachten en waar hun ouders nog bij elkaar waren, al heeft dat niet heel lang geduurd. Het huis zélf is een personage, van welhaast mythische proporties: het drukt zijn stempel op de levens van al zijn bewoners.

Wat mij betreft hoort Ann Patchett thuis in het rijtje Alice Munro, Elizabeth Strout en Michael Ondaatje; schrijvers die je meenemen in een verhaal, die niets uitleggen en die je met mededogen laten kijken naar hun worstelende personages. Onbegrijpelijk dat Patchett nog niet in Nederland is doorgebroken, maar dat gaat nu vast snel veranderen.

vertaald uit het Engels door Jan Willem Reitsma en Albert Witteveen

Oliver over Het lichaam – Een reisgids van Bill Bryson

Ruim tien jaar geleden zei een vriend tegen me: ‘Oliver, jij begrijpt geen snars van dingen die met cijfertjes te maken hebben, maar dit moet je lezen.’ De dikke paperback die hij mij met die nogal aanmatigende woorden in de handen stopte, was Bill Brysons bestseller Een kleine geschiedenis van bijna alles. En ik was vanaf de eerste bladzijde verkocht.

Brysons nieuwste boek, Het lichaam – een reisgids, is weer zo’n ambitieus populairwetenschappelijk project. Als Bryson je ergens over vertelt, is het alsof er een vriendelijke en bijzonder belezen oom tegenover je zit. Hij is een rasverteller en daarbij heeft hij vooral oog voor het amusante en voor de sterke verhalen. Een groot deel van de charme van zijn boeken ligt in zijn talent, de menselijke kant van de wetenschapsgeschiedenis te tonen. Niet (alleen) de formules, maar juist ook het verhaal van degenen die ze ontwierpen.

Net als in Een huis vol, zijn geschiedenis van het dagelijks leven, bouwt hij dit boek op aan de hand van een geheugenpaleis. In het eerdere boek hing hij zijn verhaal op aan de kamers van het huis, nu aan de delen van het lichaam. En over al die nagels en botten, vliezen en aderen heeft hij de meest fascinerende en onderhoudende feiten vergaard. De reis gaat van de bevruchting (die ‘stoethaspels’, de zaadcellen, zouden er ‘zonder hulp van buitenaf […] tien minuten over doen om een afstand zo breed als de woorden op deze pagina zwemmend af te leggen.’), via het hart (‘Er is uitgerekend (en Joost mag weten hoe), dat het hart in de loop van een mensenleven genoeg werk verricht om een object met een gewicht van 1 ton 240 kilometer in de lucht te tillen.’), tot aan de dood (‘Jeanne Louise Calment uit Arles […] overleed op de zeer gevorderde leeftijd van 122 jaar […] en pochte op hoge leeftijd nog trots en charmant: ‘Ik heb nooit meer dan één rimpel gehad, en daar zit ik op.’’), en alles wat daartussen ligt.

En zoals die oom je ook altijd iets van zijn goed bedoelde levenswijsheid aan de hand wil doen, heeft Bryson die bijbedoeling ook. Zijn (niet al te opdringerige) boodschap: we moeten wat minder eten en wat meer bewegen. Je moet minder lang op dat ‘verleidelijke kussen van je grote bilspier’ zitten, en niet meer ‘de stappenteller om de poot van je hond doen’. Want dat laatste is blijkbaar in Amerika dé truc om indruk op je collega’s te maken.

Kortom: een boeiende reis door ons eigen lijf, voorzien van een leerzaam en hilarisch commentaar.

vertaald uit het Amerikaans door Harm Damsma en Niek Miedema

Monica over De jongens van Nickel van Colson Whitehead

Colson Whitehead, bekend van zijn bestseller De ondergrondse spoorweg, werd geïnspireerd door een recent krantenartikel over de Dozier School for Boys. Opgravingen op het schoolterrein brachten aan het licht welke martelingen de jongens daar moeten hebben ondergaan. Zweepslagen die ze kregen, eindigden niet zelden met de dood, waarna het slachtoffer in een anoniem graf op het terrein werd begraven. De familie werd voorgelogen dat hij uit de instelling was ontsnapt. Het verhaal speelt zich af tegen de achtergrond van de  burgerrechtenbeweging en de zo geheten Great Migration in de tweede helft van de 20e eeuw, toen meer dan 6 miljoen Afro-Amerikanen van de zuidelijke naar de noordelijke staten trokken.

Elwood, een wat brave, naïeve en leergierige jongen krijgt een lift op weg naar zijn nieuwe hogeschool. Die wordt hem fataal, omdat de auto gestolen blijkt te zijn. Elwood wordt van medeplichtigheid beschuldigd, veroordeeld, en belandt op de Nickel tuchtschool. De willekeur waarmee Elwood te maken krijgt, blijkt een rode draad in zijn familiegeschiedenis te zijn.

‘Harriet (Elwoods oma, mh) zou ervoor moeten boeten, ofwel omdat god kwaad zou zijn dat ze meer nam dan haar toe kwam, ofwel omdat de blanken haar een lesje zouden leren omdat ze meer kruimels vroeg dan zij bereid waren haar te geven. Haar vader had ervoor moeten boeten dat hij op Tennessee Avenue niet opzij was gegaan voor een blanke vrouw. Haar man, Monty, had ervoor moeten boeten dat hij promotie had gemaakt.’

Op Nickel raakt Elwood bevriend met de door de wol geverfde Turner. Het dagelijks bestaan op Nickel is zwaar en deprimerend, maar biedt de jongens ook mogelijkheden voor mooie momenten, bijvoorbeeld wanneer ze in het naburige stadje aan sociale dienstverlening moeten doen – gratis klussen bij sponsoren van de school. Ze leren al snel hoe ze van deze schaarse vrije momenten kunnen genieten.

De jongens van Nickel is een hartverscheurend verhaal, prachtig sober opgeschreven. Een boek dat het verdient om door iedereen gelezen te worden.

vertaald uit het Engels door Nico Groen

Suzanne over Het ondenkbare denken van Helen Thomson

Na een mislukte suïcidepoging krijgt de 57-jarige Graham een zeldzame hersenziekte: hij denkt dat hij dood is. Hij heeft geen gedachten en geen emoties; zijn reukvermogen en smaak zijn totaal verdwenen. Hij weet dat hij geen hersenen meer heeft, maar kan zijn artsen er niet van overtuigen dat hij dood is en omgekeerd kunnen zij hem er niet van overtuigen dat hij leeft.

Graham heeft het syndroom van Cotard en wordt langzaam weer de oude. Dankzij een combinatie van pillen en normaal herstel van de hersenen zijn de wanen na drie jaar zo goed als verdwenen; heel af en toe voelt hij zich nog een beetje dood.

Dit ongelofelijke verhaal is een van de negen ziektegeschiedenissen die neuroloog en wetenschapsjournalist Helen Thomson beschrijft in Het ondenkbare denken. Sensationele verhalen over de werking van het brein.

Thomson is gefascineerd door ‘die anderhalve kilo zware klont in ons hoofd’ waaraan we alles wat we denken en voelen te danken hebben. De wetenschapsjournalist treedt in de voetsporen van Oliver Sacks, die met zijn fantastische verhalen de wereld liet kennismaken met bizarre afwijkingen van het brein. Net als hij wilde Thomson het leven van mensen met een hersenaandoening beschrijven, maar dan niet met de klinische blik van een neuroloog. ‘Ik wilde met deze mensen praten zoals een vriend dat zou doen, deel uitmaken van hun wereld.’ Ze wilde weten hoe bijzonder hersenen kunnen zijn.

Helen Thomson sprak met allerlei mensen: met Bob, die alles onthoudt, die precies weet wat hij op 11 november 2007 deed, en ook de dag erna, en de dag daarna. En met Sharon, die voortdurend verdwaalt, ook in haar eigen huis. Of met Louise, die een depersonalisatiestoornis heeft en zich voelt als De schreeuw, het schilderij van Edmund Munch.

Met haar fijne journalistieke pen maakt Thomson de tragiek van de stoornissen invoelbaar. Je krijgt compassie voor Bob, die tegelijkertijd bewaker en gevangene van zijn eigen herinneringen is; en bewondering voor Sharon die haar stoornis zelfs voor haar eigen man weet te verzwijgen.

Tussendoor dist Thomson ons smakelijk een berg kennis op over de werking van ons geheugen, leervermogen en persoonlijkheid. Door de verhalen van disfunctionerende hersenen leren we ongemerkt ‘hoe je herinneringen aanmaakt die je nooit meer vergeet, hoe je voorkomt dat je verdwaalt en hoe het voelt om te sterven.’

Inschrijven nieuwsbrief