Slider
< terug naar eerder van ad ten bosch

Mei 2016, Klandizie

Tijdens de lagereschoolperiode verlieten mijn zussen, mijn broer en ik in alle windrichtingen het huis aan de Boompjeswal.

Mijn oudste zus moest het verst weg. Ze stak de straat over en liep via het park, de Polsbroek, het houten bruggetje over de Berkel en het oude Graaf Ottobad naar de Prins Bernhardschool. Hoofd van die school was meneer van Arragon, een bekend en geliefd man in Zutphen – hij speelde in de jaren vijftig en zestig dan ook voor Sinterklaas.

Mijn oudere broer sloeg linksaf, stak de Laarstraat over en het David Evekinkplein naar de David Evekinkschool. Hoofd was meneer Woudstra, een volbloed Fries – een die de legendarische Elfstedentocht van 1963 had uitgereden. Op de plaats van de school is nu een parkeerterrein.
Ikzelf – en een jaar later mijn jongere zus – sloegen rechtsaf en liepen via de Martinetsingel en de Tadamasingel naar de Tadamaschool. Hoofd was meneer Van Zuiden. Die rookte Dr.Dushkind onder het lesgeven, sigaretten uit een ovalen blikje. Het schoolgebouw is nu een appartementencomplex.

Waarom zaten we niet allemaal op dezelfde school? Vader hoopte met het verspreiden van zijn kinderen over de diverse scholen bestellingen van die scholen binnen te halen, want Boek- en kantoorboekhandel A.E.C. van Someren leverde alles wat de lagere school nodig had. Op een mysterieuze wijze heb ik uit die tijd een fascinatie voor een fles galnoteninkt van de firma Talens overgehouden. En tijdens een verbouwing, jaren later, trof ik in een gangkast nog een hoeveelheid van mijn favoriete schoolschriften aan, en kroontjespennen van de firma Soennecken, waar ik Gerard Reve een plezier mee deed – en mezelf, vanwege het contact dat eruit voortkwam. Ondanks hun gevoel voor klandizie maakten mijn ouders voor mijn zusje een uitzondering. Zij was zichtbaar door polio getroffen en ze wilden haar niet alleen naar school laten gaan.

Hoe lastig opvattingen over klandizie voor de kleine middenstander soms uitpakken, ervoeren mijn ouders toen ik al op de hbs zat. Vader kwam op een middag onthutst aan tafel, hij had zojuist een leraar van dat lyceum op het stelen van een boek betrapt. Nadat hij de man erop had aangesproken, haalde die nog meer boeken uit zijn tas. Hij was al jaren klant en bekende al jaren boeken te hebben gestolen. Vader wist niet goed wat hij ermee aan moest. Als hij de man aangaf, zou hij de school misschien als klant verliezen. Besloten werd dat de leraar een lijst zou maken van de gestolen boeken om dan met vader tot een vergelijk te komen. Daarmee was de kous af.

‘En denk erom,’ zei vader, ‘je zegt er niets over op school, je spreekt er met niemand over, geen woord, niemand hoeft daar iets van te weten.’
Nadien, wanneer ik deze leraar bij het wisselen van de les in de deuropening van zijn klaslokaal zag staan, vroeg ik me af waarom die man zo bijzonder was dat ik er met niemand over mocht spreken dat hij jarenlang uit onze winkel had gestolen.

Inschrijven nieuwsbrief