Slider
< terug naar eerder van ad ten bosch

Maart 2016, over wonen boven de winkel

Toen ik elf was, verhuisde ons gezin van de Boompjeswal naar de Turfstraat, naar het huis boven de winkel. We verwisselden een woonhuis aan een park voor een bovenwoning in het rondje – kamer en suite met balkon. In het begin vond ik het daar vreselijk, ik voelde me er gevangengezet, ernstig in mijn bewegingsvrijheid beknot en verlangde naar die wereld met tuinen achter huizen en een park voor de deur, met de onvolprezen moddergracht als scheiding tussen het centrum en de Polsbroek, en naar het plein van de kleuterschool waar ik eindeloos voetbalde met jongens uit de Groenesteeg, de Halvemaansteeg en de Lievenheersteeg. Opgeborgen in het centrum met louter winkels om me heen was van buitenspelen ineens geen sprake meer.

Ooit heb ik me door een psycholoog laten vertellen dat wonen boven de winkel, waar het geld voor het gezin wordt verdiend, alles behalve bevorderlijk is voor de rust en harmonie van dat gezin. Hoe dit ook zij, wij in de kamers waren ons er permanent van bewust dat onder onze voeten het belang van het gezin werd gediend en wanneer wij – mijn zussen, broer en ik – daar wel eens geen rekening mee hielden, dan stoof vader of moeder naar boven om ons daar hartgrondig op te wijzen: ‘Niet stampen op de vloer, geen ruziemaken, niet schreeuwen. We kunnen jullie beneden in de winkel horen. Wat moeten de klanten er wel niet van denken?’

Andersom pikten wij boven in de kamers ook de geluiden uit de winkel op. We schrokken bijvoorbeeld van een fiets die ruw tegen de etalageruit werd gestald, en we lachten om een vette bons op diezelfde etalageruit. Dan was namelijk iemand, meestal ’s avonds laat in een doodstille Turfstraat, als het licht in de etalage nog brandde, met zijn hoofd tegen het glas gestoten om een uitgestald boek beter te bekijken. En dan waren er de geluiden van de winkeldeur, de hoge toon als die uit het slot werd getrokken en de klap waarmee die in het slot viel. Tot op deze dag niet veranderd, want deur, slot en sponning zijn sinds de verbouwing van 1948 onveranderd gebleven. Soms waait dat geluid me van ver in de Turfstraat tegemoet en dan roept het een herinnering aan mijn vader op. Na het middageten deed hij soms een dutje. Als de deur beneden een paar keer open en dicht ging, schoot hij uit zijn stoel en zei:

“De deur blijft maar gaan, ik moet naar beneden.”

“Maar vader, de mensen komen niet alleen binnen, ze gaan er ook weer uit.”

Van dat inzicht wilde hij niets weten.

Pas later ervoer ik ook het voordeel van wonen boven een boekwinkel. In een tijd zonder internet, iets wat mijn kinderen zich bijvoorbeeld nauwelijks meer kunnen voorstellen, was je voor informatie aangewezen op boeken en tijdschriften en die haalde je uit de Openbare Bibliotheek of uit de bibliotheek van school. Wij daarentegen, kinderen van een boekverkoper, wij konden ’s avonds naar beneden gaan, het licht in de winkel aan doen en daar net zolang in rond dolen en in boeken snuffelen als we wilden, om die vervolgens ook mee naar boven te nemen en te lezen, mits we die niet beduimelden, want de boeken moesten natuurlijk na lezing gewoon worden verkocht.

Inschrijven nieuwsbrief