Banner trap
< terug naar nieuwsbrief

Het gedicht


gekozen en ingeleid door Sander Grootendorst

Chr.J. van Geel

Soms kan poëzie je even laten sidderen. Zozeer dat je denkt: er is meer tussen hemel en aarde. Zou het zo zijn? Laten we het er in eerste instantie maar op houden dat poëzie het bestaan een meerwaarde geeft. Een zeer belangrijke.

Ik was van plan om dit keer aandacht te besteden aan Chr.J. van Geel (1917-1974). Hij kan in een overzicht – hoe miniem ook – van Nederlandse natuurpoëzie eigenlijk niet ontbreken. Net als voor de enigszins aan hem verwante dichter Dick Hillenius (1927-1987) was de pad zijn favoriet. Heel algemeen gezegd keek bioloog Hillenius iets meer met wetenschappelijk oog en Van Geel meer als de beeldend kunstenaar die hij óók was. Met als inspiratiebron het surrealisme. Hij kon uren, dagen, maanden, jaren broeden op één gedicht, zijn huis lag vol met papiertjes waarop hij dichtregels-in-wording had gekrabbeld. Het ging hem om de ware poëtische betekenis van zinnen en uitdrukkingen. Het was dus geen zaak een pad, of welk verschijnsel dan ook, als zodanig te beschrijven – dat is aan de biologen – maar het dier als het ware in een gedicht tot leven te brengen, opnieuw te scheppen.

Een vorig jaar verschenen, zeer lezenswaardige biografie geeft een kijkje in het doen en denken van deze eigenzinnige einzelgänger.

Op de fiets op weg naar huis om het bovenstaande op te schrijven, zag ik op de parkeerplaats achter de Hanzehof in Zutphen twee padden boven op elkaar een poging doen om over te steken. Het vrouwtje als drager van het mannetje. Er kwam in de verte een auto aan. Ik raapte het paddenpaartje op en plaatste het in het gras bij de gracht.

Poëzie kan levens redden.

‘Pad’

Kaal als wat jong is, ouder dan de eiken,
zijn keel gespikkeld hulstblad waar zijn hart
in klopt, dat ook na jaren niet zijn nerf
laat zien, maar grijs werd en zo zacht als verse
blaadjes die geleerden vergelijken.

Zijn rug chinees, zijn poten tand des tijds,
voor liefde ongeschikte korte armen,
een vleugel van geduld, een ster van spijt,
een ruiterlijke veinzer stil te zitten,
een vikingschip, een put, een gouden stoel.

Ik buk, hij maakt zich breder om te spreken.
Hij springt over mijn vinger op een teken
van mij, en vreemd, ik denk, dat is geluk.

Inschrijven nieuwsbrief